De herkenbare Europese professional

De herkenbare Europese professional

Overheid en bedrijfsleven gaan e-CF gebruiken, onder andere bij werving. Professionals moeten competenties kunnen aantonen die aansluiten bij Europa en bij de vraag uit de lokale markt. Een uitdaging voor opleiders en professionals.

Paul Aertsen en Wanda Saabeel

Nu overheid en bedrijfsleven het European e-Competence Framework (e-CF) omarmen en onder andere hun werving hierop (gaan) baseren, is het aan opleiders om opleidingen aan te bieden die aantoonbaar aansluiten bij het e-CF en om professionals de benodigde e-CF-competenties te laten verwerven. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het e-CF geeft namelijk geen uitputten­de competentie-, kennis- en vaardighedenover­zichten voor de Europese beroepsprofielen die ze heeft geformuleerd. Daardoor is er alle ruimte om de beroepsprofielen te vertalen naar de eigen markt. Daaraan is het risico verbonden dat te veel wordt afgeweken van het internationale kader, met als gevolg dat de beoogde internatio­nale vergelijkbaarheid verloren gaat. Er is kortom sprake van een balanceeract voor opleiders, maar vooral ook voor professionals die de juiste oplei­ding willen volgen waarmee ze hun competenties internationaal kunnen aantonen. Dit artikel biedt een aantal handvatten om in balans te blijven.

Bewust globaal

Het e-CF is bewust globaal geformuleerd. Het blijft natuurlijk een Europees initiatief dat com­promissen moet sluiten om te zorgen dat alle lan­den zich hierin kunnen herkennen. Dit heeft op het niveau van de competenties als gevolg dat de kennis en vaardigheden elementen die hieraan gekoppeld zijn niet uitputtend geformuleerd zijn. e-CF (CEN, 2014) spreekt dan ook van voor­beelden van benodigde kennis en vaardigheden. Om het nog moeilijker te maken zijn de compe­tenties wel op verschillende beheersingsniveaus geformuleerd, maar is bij de bijbehorende ken­nis- en vaardighedenelementen niet aangegeven op welk beheersingsniveau deze moeten worden beheerst.1

Ook bij het formuleren van beroepsprofielen is het e-CF terughoudend. Er is een uitgebreide onderbouwing van de manier waarop de e-CF profielen aansluiten bij andere raamwerken van beroepsprofielen uit verschillende lidstaten. Deze aansluiting is bereikt doordat men zich bij het formuleren van de profielen beperkt heeft tot een aantal kerncompetenties. Enerzijds biedt dit een behoorlijk aantal vrijheidsgraden, anderzijds beperkt dit het aantal handvatten. Alleen de allerbelangrijkste competenties bij een profiel worden genoemd, terwijl duidelijk is dat iemand ook nog andere competenties nodig heeft om te kunnen functioneren in dat beroep.

Dit leidt op twee niveaus tot hiaten die opgevuld moeten worden om uiteindelijk de vertaalslag te kunnen maken naar de lokale arbeidsmarkt. Op het niveau van een beroep moeten nog compe­tenties worden toegevoegd en op het niveau van de competenties moeten de kennis en vaardighe­den worden aangevuld.

iEXA-examens

Een belangrijk deel van deze leemtes wordt opgevuld door de recent geïntroduceerde iEXA-examens. Het raamwerk van deze iEXA-exa­mens is gebaseerd op het eerder gepresenteerde SPIH-raamwerk (Mulder en Mulder, 2013). Het iEXA-raamwerk bestaat uit twaalf examens die in de breedte en diepte de kern van het vakge­bied afdekken op e-CF niveau 3, oftewel EQF 6 (bachelor) niveau. Het bestaat allereerst uit drie basisexamens met de nadruk op basiskennis van de vele aspecten van het vakgebied. Vervolgens kan worden verdiept op drie hoofdgebieden bin­nen de informatica: bedrijfsprocessen (bedrijfs­kundige informatica), informatiesystemen (soft­ware engineering) en infrastructuur (technische informatica). Elk van deze richtingen kent drie verdiepende examens die zich elk richten op een deel van de lifecycle: beheren en exploiteren, realiseren en implementeren, en architectureren. Daarbij is bewust gekozen om deze volgorde van boven naar beneden in het raamwerk op te nemen als zijnde de volgorde waarin de examens doorlopen worden. Er is namelijk bijna geen enkele situatie meer in de praktijk waarbij de ICT vanaf nul wordt ingevuld; er is bijna altijd een bestaande situatie die beheerd en geëxploi­teerd wordt. Vervolgens wordt het realiseren en implementeren behandeld, zodat kennis en inzicht hierover kan worden meegenomen in het ontwerpen van oplossingen bij het architecture­ren.

De exameneisen die gesteld worden in deze exa­mens zijn gebaseerd op e-CF, maar bouwen ook voort op de landelijke basis die haar oorsprong vindt in de AMBI-examens. Elk examen dekt een deel van met name de kennis en vaardighedene­lementen af die in e-CF zijn opgenomen en biedt daarnaast kennis en vaardigheden die gebaseerd zijn op de Nederlandse situatie.

Opleiders

Het is duidelijk dat wanneer een professional een Europees herkenbaar beroepsprofiel moet hebben, het e-CF en de iEXA-examens zeker een kapstok bieden aan opleiders, maar dat deze zelf een behoorlijk deel verder moeten aanvullen om volwaardige professionals af te leveren en om de eerder aangegeven leemtes te dichten.

Een opleider zal moeten vaststellen welke (groe­pen van) professionals hij, kijkend naar het e-CF, wil opleiden. Op basis hiervan kan een aantal kerncompetenties worden bepaald. Deze set competenties kan vervolgens aangevuld worden, bijvoorbeeld op basis van ervaringen uit het ver­leden met de specifieke opleiding, best practices, wensen vanuit de specifieke studenten, het werk­veld, de overheid of actuele trends waarbij men wil aansluiten. Hieruit volgen ook beslissingen over de benodigde kennis en vaardigheden waar­na een opleider een concreet opleidingsprofiel en curriculum kan aanbieden. Hieruit volgt een divers aanbod waarbij elke opleider haar eigen benadering heeft en keuzes zal maken. Een belangrijk punt hierbij is dat de relatie met het e-CF uit het oogpunt van herkenbaarheid hierbij niet verloren mag gaan en zelfs liefst zo helder mogelijk is. Immers hoe kan je als professional anders vaststellen of de aangeboden opleiding ook daadwerkelijk Europese waarde heeft?

Nu heeft een opleider belang bij het aanbieden van opleidingen die aansluiten bij het e-CF. Hiermee kunnen ze aan professionals laten zien dat zij meerwaarde bieden. Maar de (toekom­stige) professionals hebben zelf een nog groter belang bij het kunnen aantonen dat zij over de juiste e-CF-competenties voor een bepaalde functie beschikken. Zij moeten tenslotte bij een organisatie of opdrachtgever kunnen laten zien dat zij over de juiste competenties beschikken om de functie of opdracht te krijgen. Hoe kun­nen professionals bepalen welke opleiding(en) zij moeten volgen om dit aan te kunnen tonen?

inzicht

professionals

Voor huidige professionals die al in de ICT wer­ken, is de vraag bepalend wat nodig is om zich als professional te profileren en zich verder te ontwikkelen op het vakgebied. Op welke manier kun je verder groeien in een bepaalde functie of bepalen wat nodig is voor een nieuwe functie? Met andere woorden, welke kennis en vaardig­heden zijn nodig en welke competenties moeten (verder) ontwikkeld worden?

Eerst moet iemand bepalen welke kennis en vaardigheden hij reeds bezit en hoe actueel deze zijn. Zo kan het bijvoorbeeld interessant zijn om de kennis van (zeker in IT-termen lang geleden behaalde) Ambi-modules op te frissen. Ook moet het huidige competentieniveau worden vastge­steld. Dit kan via assessments, zoals bijvoorbeeld het e-Competence Assessment, waarbij je een gecertificeerd bewijs krijgt dat je een bepaald niveau van een competentie bezit. Dit zal iemand vooral doen als er een officiële aanleiding voor is, zoals een (potentiële) werk- of opdrachtgever die vraagt om dit bewijs en er geen ander direct bewijs voorhanden is. Door het bekijken van het e-CF en per competentie na te gaan welke beschrijving op welk niveau het meest passend is, kun je zelf een eerste globale inschatting maken die wellicht voldoende is als startpunt.

Vervolgens moet worden vastgesteld wat de vereiste competenties en bijbehorende kennis en vaardigheden zijn voor een situatie. Hiervoor zijn globaal vier mogelijkheden:

1. De werk- of opdrachtgever heeft bepaalde eisen voor een functie. Als een werkgever of opdrachtgever in termen van e-CF eisen heeft geformuleerd aan een bepaalde rol of functie, dan is het een kwestie van nagaan of je aan die vereisten voldoet. Zo niet, dan moet je zoeken naar een opleiding die de betreffende compe­tenties behandelt en toetst. In veel gevallen is er een gedeeltelijke overlap met kennis en vaardig­ heden die je al bezit, maar dat is geen probleem. Ten eerste worden je kennis en vaardigheden opgefrist en geactualiseerd, maar daarnaast kun je deze competenties door het afronden van een opleiding aantonen; niet alleen de nieuwe aspec­ten, maar ook de onderdelen die je al beheerste dankzij praktijkervaring maar waarvoor een ‘papiertje’ ontbrak. Uiteraard biedt het ook de kans om niet alleen aan de vereisten te voldoen, maar net iets meer, zodat de kans toeneemt dat je de functie krijgt.

2. De professional wil een ander beroepsprofiel. Een systeembeheerder kan bijvoorbeeld beslui­ten dat zijn toekomst ligt in het testen. In dat geval volstaat na te gaan welke competenties hij moet ontwikkelen, c.q. welke kennis en vaardig­heden hij moet verwerven om de stap te zetten. Dan kan blijken dat een iEXA-examen met enkele specifieke certificaten voldoende is om de competenties te verwerven. Waarschijnlijk zijn er dan ook opleiders die een opleiding tot tester aanbieden. Het is dan natuurlijk wel zaak om vast te stellen of deze opleiding wel de compe­tenties leert zoals het e-CF deze benoemt (Cen, 2012). Als de betreffende opleiding deze kern­competenties niet afdekt, dan wordt het moeilijk of zelfs onmogelijk om zowel in Nederland als zeker in de rest van Europa aan te tonen dat je bent opgeleid tot testspecialist.

3. De professional wil zich verdiepen. Ontwik­kelen kan op twee manieren: door te verbreden of door te verdiepen. Bij verdiepen gaat iemand verder in dezelfde richting. Een junior ontwik­kelaar leert meer programmeertalen en doet ervaring op in projecten. Langzaamaan groeit hij uit tot een senior ontwikkelaar. In e-CF-termen schuift hij op van niveau 1 (waarbij hij onder begeleiding applicaties ontwikkelt) naar niveau 3, waarbij hij niet alleen zelfstandig applicaties kan ontwikkelen, maar dit creatief en efficiënt doet met gebruikmaking van onder andere bestaande goede oplossingen. Hoewel de ervaring uiteraard in de praktijk wordt opgedaan, moet de profes­sional aantonen dat hij over voldoende kennis en vaardigheden beschikt dankzij een relevant opleidingsniveau. In het genoemde voorbeeld moet hij dus minstens een bachelor afronden op het gebied van software-engineering, waarbij uiteraard weer gelet moet worden op de aanslui­ting bij e-CF.

4. De professional wil zich verbreden. Bij ver­breden wil iemand wel in zijn eigen vakgebied blijven, maar door een bredere kijk op het vakgebied een betere en breder inzetbare pro­fessional worden. Zo kan een accountmanager die in e-CF-competentietermen nauwelijks iets hoeft te weten van de techniek die hij aan klanten verkoopt, besluiten om zich inhoudelijk te verbreden door een opleiding te volgen over bijvoorbeeld testen, infrastructuur of netwerken. Welke richting het wordt ligt aan het primaire aandachtsgebied van de klanten van de account­manager. Ook zou bijvoorbeeld een netwerk-, security- of testspecialist kunnen besluiten om zich te verbreden tot ICT-trainer om zijn kennis en kunde over te dragen. Het e-CF (CEN, 2012) geeft aan welke competenties een ICT-trainer dient te bezitten en als een opleider daarvoor een opleiding aanbiedt, wordt een professional breed erkend; niet alleen als specialist, maar ook als trainer op dat gebied.

Toekomstige professionals

Voor toekomstige professionals die een complete opleiding op het vakgebied moeten volgen, is het wat moeilijker. Zij moeten de competen­ties geheel verwerven en een profiel opbouwen dat herkenbaar is in het binnen- en buiten­land, vaak zonder of met beperkte kennis van het vakgebied. De eerste vraag die zij moeten beantwoorden is: hoe wil ik mij profileren op de arbeidsmarkt? Liggen mijn interesses meer in de bedrijfskundige hoek (bedrijfskundige infor­matica), bij het ontwikkelen van software (soft­ware-engineering) of vind ik de infrastructuur, service en beveiliging (technische informatica) interessant? Welke beroepen sluiten daarbij aan? Dat zijn moeilijke vragen, zeker voor mensen die het veld niet (goed) kennen. Er zijn maar weini­gen die van tevoren exact weten waar ze terecht willen komen en dat vervolgens exact realiseren. Met een brede kennisbasis waarin je het vakge­bied eerst globaal verkent zodat je daarna makke­lijker een keuze kunt maken voor een bepaalde richting word je dan een eind op weg geholpen. De stappen die je als student doorloopt in je keuzes zijn deze:

1. Een algemene, brede oriëntatie op het vakge­bied, waarbij je nog geen keuze voor een speci­fieke richting of beroepsprofiel maakt. De drie iEXA- basisexamens sluiten hierbij goed aan. Samen bieden ze de grondslagen van het vakgebied.

2. Een keuze voor een hoofdrichting binnen het vakgebied. De vraag die je je als student moet stellen is: 'Wil ik me richten op de bedrijfs­processen (bedrijfskundige informatica), de informatiesystemen (software-engineering) of de infrastructuur (technische informatica)?'

3. Gaandeweg blijkt binnen de gekozen richting de voorkeur voor een bepaald beroep waarin je straks als beginnend beroepsbeoefenaar wilt instromen op de IT-arbeidsmarkt.

Het spreekt voor zich dat opleidingen die deze keuzestappen mogelijk maken (van brede oriën­tatie, hoofdrichting en ten slotte beroep) ideaal zijn voor deze toekomstige professionals. Mits, maar deze afsluiter is na dit hele betoog eigenlijk overbodig, de opleiding aansluit bij het e-CF. We leiden tenslotte geen professionals op voor de Nederlandse, maar minimaal voor de Europese markt.

 

Paul Aertsen is (onderwijs-) adviseur voor onder andere SPIH en directeur van Promanad. E-mail: paertsen@promanad.nl

Wanda Saabeel is (onderwijs-) adviseur voor onder andere SPIH en Promanad. E-mail: wsaabeel@promanad.nl

Literatuur

Cen Workshop Agreement (CWA) 16234, ‘European e-Competence Framework version 3.0: A common European Framework for ICT Professionals in all industry sectors’, 2014, European e-CF and EQF level table: p.49 [CWA 16234:2014 Part 1].

Cen Workshop Agreement (CWA) 16458, ‘European ICT Professional Profiles’, 2012 [CWA 16458-2012].

European Commission; Education and culture, ‘The European Qualifications Framework for Lifelong Learning (EQF)’, 2008.

Mulder, H. en Mulder, T., Van AMBI naar ICT-kernvakken, in: ‘Informatie’ maart 2013, Den Haag: Bim Media.

 

 

 1] Dit terwijl duidelijk is dat niet elke vaardigheid of kennis op het laagste niveau van de compe­tentie aanwezig hoeft te zijn. Zo is bijvoorbeeld bij competentie B3 ‘Testing’ heel duidelijk vaardigheid S1 ‘Create and manage a test plan’ geen vaardigheid die vereist is op niveau 1: ‘Performs simple tests in strict compliance with detailed instructions’ (Europese Commissie, 2008).

Tag

eCF

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag