De waarheid over werken onder architectuur

De waarheid over werken onder architectuur
Automatiseren is laveren tussen de klippen budgetoverschrijding en te late oplevering op korte termijn, en interoperabiliteitsconflicten en hoge aanpassingskosten op lange termijn. Enterprise-architecten werpen zich op als loods. Maar wat zijn hun prestaties eigenlijk? En tegen welke prijs leveren ze die? Een ervaren architect maakt via een promotieonderzoek de balans op.
Rolf Zaal
Iets weten en ernaar handelen zijn twee totaal verschillende dingen. Dat geldt voor mensen, maar ook voor organisaties. De meeste professionals die deelnemen in IT-projecten geloven wel in het nut van enterprise-architectuur (EA), maar dat geloof is voor enterprise-architecten doorgaans niet voldoende om hun richtlijnen daadwerkelijk toegepast te krijgen.
In het kader van een promotie aan de Universiteit Utrecht onderzocht Ralph Foorthuis hoe enterprise-architecten hun richtlijnen ook daadwerkelijk gehanteerd krijgen. In het dagelijks leven werkt Foorthuis als IT-architect bij het UWV.
De meest effectieve maatregel voor het bewerkstelligen van naleving van enterprise-architectuur blijkt controleren. In bedrijven waar project-deliverables systematisch worden getoetst aan de EA-richtlijnen is de naleving duidelijk beter dan in organisaties die niet zo ver willen gaan. Dat lijkt logisch. Minder voor de hand liggend is echter dat het er niet of nauwelijks toe doet of aan de uitkomst van de controles nog financiële consequenties worden verbonden.
Het middel van financieel straffen en belonen wordt dan ook minder vaak toegepast dan Foorthuis had verwacht. Een andere maatregel die weinig effect heeft op de naleving van de enterprisearchitectuur, was het gebruik van een projectstart-architectuur (PSA).
Zinvolle maatregelen
Wel zinvol blijkt, in volgorde van effectiviteit:
• Toetsen of de EA-voorschriften correct worden toegepast,
• Openlijk beleden EA-commitment van het hoger management,
• Deelname aan de projecten vanuit de EA-staf. Deze derde maatregel moet volgens Foorthuis
niet worden begrepen als een verkapte vorm van de reeds genoemde controle, maar is meer een kwestie van hulp bij toepassing van enterprise-architectuur. Enterprise-architecten kunnen in projectgroepen helpen door de vaak nogal generiek geformuleerde voorschriften uit te leggen en te vertalen naar de context van het specifieke project. Deze maatregel is waarschijnlijk effectief doordat het de doorgaans resultaatgerichte projectleden ontlast van door hen als bureaucratisch en vertragend gepercipieerde taken. Daarnaast speelt mogelijk een rol dat deze maatregel interpretatieproblemen helpt voorkomen. Voor zijn onderzoek bevroeg Foorthuis 293 professionals met ervaring op het gebied van enterprise-architectuur. Met elkaar vertegenwoordigden ze 116 organisaties waar enterprisearchitectuur wordt toegepast. De vragen en stellingen die de respondendenten voorgelegd kregen werden door Foorthuis geformuleerd als hypotheses, die hij verkreeg door literatuuronderzoek en deelname in onder enterprisearchitectuur uitgevoerde projecten bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deelnemers konden hun visie uitdrukken op vijfpuntsschalen. De responsgroep, bestaand uit contacten van Sogeti, IBM en het Landelijk Architectuur Platform, bevatte zowel makers als (beoogde) toepassers van architectuur.
jectleden ontlast van door hen als bureaucratisch en vertragend gepercipieerde taken. Daarnaast speelt mogelijk een rol dat deze maatregel interpretatieproblemen helpt voorkomen. Voor zijn onderzoek bevroeg Foorthuis 293 professionals met ervaring op het gebied van enterprise-architectuur. Met elkaar vertegenwoordigden ze 116 organisaties waar enterprisearchitectuur wordt toegepast. De vragen en stellingen die de respondendenten voorgelegd kregen werden door Foorthuis geformuleerd als hypotheses, die hij verkreeg door literatuuronderzoek en deelname in onder enterprisearchitectuur uitgevoerde projecten bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deelnemers konden hun visie uitdrukken op vijfpuntsschalen. De responsgroep, bestaand uit contacten van Sogeti, IBM en het Landelijk Architectuur Platform, bevatte zowel makers als (beoogde) toepassers van architectuur.
Wel degelijk voordelen
Foorthuis’ bevindingen bevestigen het beeld dat de voorschriften er vooral zijn om binnen de context van een project het perspectief van het grotere verband en de langere termijn in te brengen. Zo bleek projectconformiteit statistisch duidelijk sterker samen te hangen met het behalen van enterprise-brede doelen dan met het behalen van projectdoelen. Er zijn echter wel degelijk voordelen voor projecten. Zo signaleerde Foorthuis een positief verband tussen projectconformiteit en het vaker leveren van de gewenste functionaliteit en kwaliteit. Ook blijkt dat enterprise-architectuur helpt projectrisico en -complexiteit te beheersen, maar projecten betalen daarvoor dan wel weer de prijs dat ze beduidend trager op gang komen. De respondenten oordeelden over het algemeen redelijk positief over enterprise-architectuur. Dat positieve oordeel bleek echter wel meer geba
seerd op de bijdrage aan tussendoelen dan op het realiseren van einddoelen.
• Enterprise-architectuur geeft bijvoorbeeld wel inzicht in complexiteit, maar helpt vervolgens niet echt om dit op organisatieniveau te managen/beheersen.
• Enterprise-architectuur helpt ook een beeld te schetsen van de toekomst en om te integreren/ standaardiseren/ontdubbelen, maar het draagt vervolgens niet sterk bij om de omvang van de activiteiten (gemeten als ‘kosten’) te beheersen.
Ruimte voor missiewerk
Een opvallend neveneffect van de gemengde samenstelling van de responsgroep van Foorthuis is dat de antwoorden op de vragen een aardig inkijkje geven in de uitdaging waarvoor enterprise-architecten zich gesteld zien als zij hun inzichten en richtlijnen daadwerkelijk toegepast willen krijgen. Dat blijkt namelijk voor een aanzienlijk deel nog een kwestie van missiewerk te zijn; op vrijwel alle kwesties die iets zeggen over het effect van enterprise-architectuur blijken de architecten aanmerkelijk meer overtuigd van het nut van enterprise-architectuur dan de groep die de voorschriften moet toepassen.
• Bijna 52 procent van de architecten denkt dat enterprise-architectuur (zeer) goed is voor de mate waarin IT aansluit op de zakelijke doelen en processen van het bedrijf. Maar onder de toepassers van enterprise-architectuur deelt nog geen 38 procent die overtuiging.
• Bijna 77 procent van de architecten denkt dat enterprise-architectuur (veel) helpt bij het in de hand houden van de projectcomplexiteit, maar die overtuiging scoort bij de toepassers nog geen 56 procent.
• Integreren, standaardiseren en ontdubbelen van processen en functies is een van de belangrijkste doelen van enterprise-architectuur. Van de architecten denkt 65 procent dat hun inzichten en richtlijnen daartoe (zeer) goed inzetbaar zijn. Nog niet de helft (48 procent) van de toepassers onderschrijft dat.
Een soortgelijk verschil in ‘geloof’ signaleerde Foorthuis wat betreft de gepercipieerde nadelen van enterprise-architectuur:
• Ruim 45 procent van de architecten wil wel toegeven dat enterprise-architectuur ertoe kan leiden dat projecten (veel) trager op stoom komen, maar van de toepassers ervaart 60 procent een dergelijk oponthoud door enterprise-architectuur.
• Over de vraag of enterprise-architectuur uiteindelijk voldoende voordelen stelt tegenover het nadeel van de tragere opstart, verschillen de betrokkenen al evenzeer van mening. Van de architecten denkt ruim 24 procent dat onder enterprise-architectuur uitgevoerde projecten (veel) minder vaak te laat worden opgeleverd. Van de toepassers is nog geen 11 procent daarvan overtuigd.
Een laatste opmerkelijk weetje uit Foorthuis’ onderzoeksverslag: ‘De overheid scoort relatief slecht in het behalen van voordeel uit enterprisearchitectuur, al zijn de verschillen met andere typen organisaties klein.’
 
Waarom perceptieonderzoek?

Ralph Foorthuis koos voor perceptieonderzoek (betrokkenen vragen wat ze ervan vinden) omdat de ‘objectieve’ meting niet goed mogelijk was: “Voor veel zaken die we hebben gemeten, zijn er geen standaarden. Hoe zou risico of de mate van procesintegratie bijvoorbeeld gemeten moeten worden? De eis hierbij is uiteraard dat dit de afgelopen jaren op zo’n manier heeft plaatsgevonden dat de cijfers tussen organisaties vergelijkbaar zijn. Als onderzoeker zou je er wellicht nog wel voor kunnen kiezen om bij organisaties boekhoudingen op te vragen, maar zelfs deze zijn niet gestandaardiseerd op de punten die wij meten en dus onderling moeilijk te vergelijken (bedrijven boeken kosten en baten toch deels op basis van eigen inzichten en interpretaties, nog even los van gesjoemel met cijfers). Verder zijn kwantitatieve cijfers á la ‘marktaandeel’ en ‘winst’ niet toepasbaar bij overheidsdiensten.” Een andere kwestie was volgens Foorthuis de toegang tot informatie: “De mensen die je ondervraagt zijn vast niet erg gemotiveerd alle cijfers voor jou als onderzoeker na te pluizen.”

 
Rolf Zaal is redacteur bij Automatisering Gids. E-mail: r.zaal@sdu.nl

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag