E-Competence Framework: quo vadis?

E-Competence Framework: quo vadis?

Het kan u bijna niet ontgaan zijn: het ICT-vakgebied is een veelbelovend raamwerk rijker: het e-Competence Framework (e-CF).
Het e-CF kan een abstract referentiekader worden voor variërend lokaal gebruik of een standaardiserend instrument voor ‘centrale geleiding’.
Erik de Vries
Het doel van het referentiekader e-CF is beroepsprofielen te ontwikkelen die herkenbaar zijn in de gehele Europese Unie (CEN, 2012). Het e-CF lijkt aan te slaan in Nederland. De afgelopen jaren heeft het Ministerie van Economische Zaken de ontwikkeling en verspreiding van het e-CF ondersteund. Vanaf 2015 moet er een organisatie komen vanuit het vakgebied dat het e-CF in beheer gaat nemen en toeziet op onderhoud en gebruik ervan. In 2014 ligt de vraag voor welke richting het vakgebied wil inslaan met het e-CF. In dit artikel ontvouw ik de door mij gewenste richting om daarmee een discussie op gang te brengen en enkele adders onder het gras te duiden.
 
Acceptatie
Nederland loopt voorop in de acceptatie van het e-CF. Op het recente jaarcongres van ECP, het platform voor de informatiesamenleving, werd een convenant getekend waarin invloedrijke partijen e-CF onderschrijven. Het doel van e-CF is ‘to increase transparancy and to continue the convergence of the European ICT Skills landscape by providing a set of European ICT Professionals Profiles’. De profielen kunnen gebruikt worden als referentie of als basis om profielen te bouwen. Het e-CF bevat 23 profielen in zes families: business management, technisch management, ontwerp, bouw, service & operaties en support/ondersteuning (CEN, 2012). Het bestaat uit vier dimensies (NPR-CWA, 2010):
1. E-competentiegebieden afgeleid van ICT-bedrijfsprocessen: plannen, bouwen, uitvoeren, mogelijk maken en sturen.
2. E-competentiereferenties voor elk gebied (samen 36 competenties).
3. Bekwaamheidsniveaus bij elke e-competentie (gerelateerd aan het European Quality Framework (EQF) niveaus 3 tot en met 8).
4. Voorbeelden van kennis en vaardigheden behorende bij e-competentiereferenties (uit dimensie 2).
 
Gewoonten
Wat zou er kunnen gebeuren als we een raamwerk voor functieprofielen in handen geven van doorgewinterde ICT’ers? ICT’ers denken systemisch en kennen de kracht van standaardisatie. Ze hebben een broertje dood aan wildgroei. Bovendien voelen ICT’ers een natuurlijke uitdaging in het uitwerken van systemen tot in detail. Daarnaast blijken ICT’ers weinig schroom te hebben in het projecteren van hun eigen vakinhoudelijke logica op andere domeinen, met als resultaat woorden als businessarchitectuur, interfaces tussen afdelingen, bedrijfsprocessen (als procedures in software worden bedoeld), requirements, use cases, eHealth en alignment (De Vries & Den Boer, 2014).
Wat zouden dergelijke gewoonten in het vakgebied kunnen opleveren als we ze projecteren op het e-CF? Er zou een gedetailleerd systeem van uiteenlopende functies op verschillende EQF-niveaus worden ontworpen bestaande uit een uitputtende lijst van competenties (uitgesplitst naar vakinhoudelijke kennis, vaardigheden en attitudes). Dit systeem zou vervolgens worden uitgeroepen tot standaard voor twee domeinen: HRM en onderwijs. Natuurlijk gelden voor deze twee domeinen andere logica’s dan de ICT-logica (didactiek is iets anders dan ICT; werving en selectie ook), maar zoals gezegd, schroom om de eigen logica op andere domeinen te projecteren kan de ICT’er niet worden toegedicht.
Het ICT-vakgebied is bovendien een vakgebied dat zich laat kenmerken door veel modellen, best practices en methoden voorzien van een handelsmerk. De wetenschappelijke grond van deze methoden is soms moeilijk vast te stellen. Waarom iets een best practice is, wordt ook niet altijd even duidelijk. Zijn er bijvoorbeeld verschillende praktijkmethoden onderzocht en grondig met elkaar vergeleken om vervolgens vast te stellen dat een bepaalde praktijk de beste is? En langs welke criteria is deze vergelijking gedaan? En door wie? In een vakgebied met deze gewoonten mag je verwachten dat er partijen zijn die een belang hebben om modellen, best practices of methoden expliciet te koppelen aan functieprofielen. Als deze functieprofielen dan verheven worden tot standaard, is verspreiding van de methoden met het handelsmerk geborgd. Vormt bovenstaande een probleem voor het vakgebied? Wat mij betreft wel, om drie redenen.
 
e-CF en HRM-logica
De eerste reden heb ik hierboven al aangegeven. De logica van HRM is een andere dan die van ICT. In het hoger onderwijs hebben VSNU en de Vereniging van Hogescholen bijvoorbeeld standaard functieprofielen vastgesteld voor alle universiteiten en hogescholen, voor alle functies (hoogleraar, docent, et cetera) en voor alle vakgebieden (van medici tot chemici). Verwacht geen dichtgetimmerde, gedetailleerde, in een strak systeem ondergebrachte functieprofielen waarin de specifieke eisen voor medici en chemici zijn benoemd en het onderscheid tussen doorgroeifuncties – zoals van universitair docent naar universitair hoofddocent – eenduidig is. De profielen bevatten veel algemeenheden en de nodige grijze gebieden. De profielen bieden een algemeen kader waarbinnen concrete functies kunnen worden gedefinieerd en werkafspraken en ontwikkelingsafspraken op maat voor kandidaat en organisatie kunnen worden vastgesteld. De functieprofielen zijn wel zo vastgesteld dat iedere leidinggevende snapt wat hij van iemand met bijvoorbeeld de functie hogeschooldocent mag verwachten en in welke richting de persoon zou kunnen doorgroeien. Als het e-CF in deze richting zou evolueren, dus richting breed erkende algemeen geformuleerde functieprofielen, zou ik dat toejuichen. Daarvoor zijn tenminste drie voorwaarden nodig:
1. De HRM-logica is leidend, niet de ICT-logica;
2. De erkenning dat rond vijftig procent van de ICT’ers niet werkt in de ICT-branche, maar bij ICT afnemende bedrijven betekent dat uitbouw van het e-CF niet louter een opgave voor de ICT-branche is;
3. Wereldwijd opererende ICT-bedrijven van Amerikaanse of Aziatische oorsprong zouden zich ook in het Europese kamp moeten scharen. Dit zijn geen malse voorwaarden. Maar er zou veel gewonnen kunnen worden. Afnemers weten beter wie ze in huis halen, werkgevers hebben een scherper beeld bij wat ze van een werknemer kunnen verwachten en werknemers hebben een referentiekader waarlangs ze hun loopbaan kunnen plannen. Bovendien vergemakkelijkt het hun mobiliteit.
 
e-CF en onderwijslogica
Ook de tweede reden heb ik hierboven reeds aangegeven. De logica van het onderwijs is een andere dan ICT-logica. Omdat meer dan 55 procent van de ICT’ers hoog is opgeleid, richt ik mij vooral op het hoger onderwijs. Het e-CF is een referentiekader op een vrij hoog abstractieniveau dat geen één-op-éénrelatie heeft met het onderwijs. Binnen het e-CF is expliciet gemaakt dat het geen uitspraken doet over wetenschappelijke kennis/theorie, modellen en onderzoek. Competenties zijn binnen het e-CF wel voorzien van voorbeelden van kennis en vaardigheden, maar het raamwerk zegt daarover: ‘They are provided to add value and context and are not intended to be exhaustive’ (CEN, 2012). Terwijl de logica van het onderwijs is het opbouwen van competenties (kennis, vaardigheden en houding), legt het e-CF hierover weinig vast. Bovendien bevat het e-CF nogal wat functies die beschreven zijn op een EQF-niveau dat in het Nederlandse initieel hbo-onderwijs niet haalbaar is. Daarmee vormen die beroepsprofielen vooral doelen die na initiële opleidingen en in combinatie met enkele jaren werkervaring kunnen worden bereikt. Dit alles impliceert dat opleidingen e-CF moeten interpreteren naar de Nederlandse onderwijssituatie en daarbij zelf hun ‘body of knowledge’ moeten vormen en zelf tot EQF-niveau-aanduidingen moeten komen die in het initieel onderwijs bereikbaar zijn. Opleidingen moeten vervolgens aannemelijk kunnen maken dat het e-CF-niveau dat bij het beroepsprofiel hoort met enkele jaren werkervaring haalbaar is.
Vanuit deze uitgangssituatie kunnen we in het (beroeps-) onderwijs twee wegen inslaan. De ene is om het e-CF verder uit te werken, voor vergelijkbare opleidingen te standaardiseren en daarbij de body of knowledge en de benodigde vaardigheden en attitudes vast te leggen. Daaruit ontstaat dan een min of meer eenduidig kader voor opleidingen waarmee men in de opleiding vakken kan ontwerpen en duidelijke richtlijnen heeft. Er zijn vier krachten die in deze richting werken. Hbo-docenten en -onderwijskundigen vinden niets fijner dan eenduidige richtlijnen vanuit de beroepsgroep. Een veel gehoorde leuze is: ‘Laat de beroepsgroep maar vertellen wat men nodig heeft, dan leiden wij ze wel op.’ Bureaus voor examens en certificeringsbureaus hebben natuurlijk een eenduidige norm nodig. Zoals hierboven al is aangegeven, werken twee gewoonten in de beroepsgroep ook in deze richting: de neiging om gedetailleerde systemen van eisen op te tekenen en de belangen die schuilen achter bodies of knowledge die een handelsmerk dragen.
Wat is de tweede richting die we kunnen inslaan in het onderwijs met het e-CF? Dat is de huidige situatie juichend omarmen. Het is in mijn ogen een zegen dat het e-CF in zijn huidige staat geen uitspraken doet over het body of knowledge of verzamelingen van vaardigheden en voor het hoger onderwijs eerder doelen geeft dan concrete, uitgewerkte kaders. Vanwaar mijn enthousiasme?
Het ICT-vakgebied en ook veel van de kenniskaders (met en zonder handelsmerk) laten zich kenmerken door systeemdenken en uiteenlopende vormen van projectmanagement. Bovendien is het hele denken nogal technologie/systeemgericht. Op deze punten stokt mijn enthousiasme voor het e-CF, want het e-CF is (wellicht onbedoeld) een artefact van dit denken. Een mooi voorbeeld hiervan is de pijl in het plaatje dat de 23 beroepsprofielen moet verbinden in een kader (CEN, 2012). Na twintig jaar verzuchting over business-ICT-alignment, staat de pijl in het e-CF nog steeds van links naar rechts, van business naar technologie, van het doel (businessondersteuning) naar het middel (systemen en technologie). Ik geloof dat het vakgebied toe is aan een Copernicaanse omwenteling. Ook de driedeling ‘plan-build-run’ maakt een traditionele indruk. Beroepen als ICT-consultant en accountmanager in het cluster support wekken de indruk dat geredeneerd is vanuit ICT leverende bedrijven en minder vanuit ICT afnemende bedrijven. De support functies die ICT afnemende bedrijven nodig hebben (denk bijvoorbeeld aan ‘super users’) worden juist niet meegenomen in het raamwerk. Opmerkelijk is dat adviesvaardigheden in het cluster planning niet een van de acht competenties is. Juist in dit cluster is dit dé primaire vaardigheid: het helder krijgen van opdrachten en doelen samen met de klant, en de klant ondersteunen in zijn rol als opdrachtgever. De opvatting van informatie- en kennismanagement is een smalle opvatting die in veel Nederlandse situaties anders wordt beleefd. Of de vele ICT’ers werkzaam in de nieuwe media, gaming, app-bouw en open source communities zich herkennen in het e-CF is de vraag. Hetzelfde geldt voor de relatief nieuwe beroepen zoals information scientist. Natuurlijk, zult u denken, het e-CF is niet af en kan ook niet alle recente
ontwikkelingen onmiddellijk in zich dragen. En dat is nu precies de reden waarom we de onuitgewerkte en ietwat abstracte status van e-CF met open armen moeten ontvangen. Het zal namelijk nooit af zijn.
Het ICT-vakgebied laat zich niet alleen karakteriseren door voornoemde tradities. Het laat zich juist ook karakteriseren door een aantal andere ontwikkelingen. Het vakgebied kent veel multidisciplinariteit en invloeden vanuit uiteenlopende vakgebieden zoals (product-) ontwerp, (multimedia-) marketing en communicatie, strategie en organisatie, organisatieverandering, cognitieve, sociale en arbeids- en organisatie psychologie, mediawetenschappen, bestuurskunde, et cetera. Juist doordat e-CF het body of knowledge en de vaardigheden niet standaardiseert, wordt het vakgebied de ruimte gelaten om tot inkleuring van in het e-CF genoemde competenties te komen vanuit verschillende disciplines en kenniskaders. Het kenniskader van ICT-beroepen behoudt daarmee zijn fluïditeit en dat is noodzakelijk want dit kenniskader is beslist nog niet uitgekristalliseerd en juist doorlopend in ontwikkeling. Het vakgebied heeft ook invloed van diverse andere kenniskaders nodig om boven het niveau van systeemdenken en projectmanagement uit te stijgen.
Het ICT-vakgebied laat zich ook karakteriseren door steeds weer nieuwe technologieën, toepassingsdomeinen en gebruikerskarakteristieken zoals voorgaande bijdragen van Bronsgeest (2013-a), Brongers (2013), Van de Mosselaer & Sneller (2012) en Bronsgeest (2013-b) tonen. Zo is eHealth in opmars door de toenemende vergrijzing en daarmee samenhangende personeelstekorten en budgetproblemen in de zorg. Wat dit vraagt om nieuwe competenties van ICT’ers en of dit wellicht leidt tot nieuwe beroepsgroepen (bijvoorbeeld ‘medical information technicians’ of iets dergelijks) laat zich niet voorspellen. Ook de opkomst van internet en sociale media en daarbij passende nieuwe toepassingsdomeinen zoals e-commerce en cross media heeft geleid tot uiteenlopende nieuwe beroepen. Hetzelfde zien we in de gaming industrie. Tot welke nieuwe beroepsgroepen of bodies of knowledge leidt de ‘smart city’-trend, met nieuwe toepassingsgebieden op het terrein van sociaal werk, ruimtelijke ordening of verkeersmanagement? Veranderende technologieën en toepassingsgebieden vereisen dat het vak doorlopend in beweging is, vereisen fluïde kenniskaders en vragen om onderzoekende professionals (Mulder & de Vries, 2013). We moeten ons gelukkig wanen met een e-CF dat niet gedetailleerd voorschrijft.
Nieuwe technologieën zijn uitkomsten van onderzoek en in dat onderzoek wordt veelal ook duidelijk welke competenties mensen moeten hebben om die nieuwe technologie te kunnen bouwen, gebruiken, et cetera. Daarnaast ontwikkelen de hbo-instellingen zich tot Universities of Applied Science waarin het onderzoeken van nieuwe toepassingen centraal staat en waarin ook onderzoek van ontwikkeling van de beroepspraktijk thuishoort. Daarmee heeft het hoger onderwijs een eigenstandige verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van nieuwe beroepscompetenties en onderzoek naar de veranderende beroepspraktijk. Het heeft ook de verantwoordelijkheid om hierin vooruit te kijken. In de curricula van vandaag worden professionals opgeleid die over vijf tot tien jaar hun vak moeten kunnen uitoefenen. Het is de verantwoordelijkheid van curriculaontwerpers om zo ver vooruit te kijken. Er is beslist geen sprake van ‘laat de beroepsgroep maar vertellen wat ze nodig hebben, dan leiden wij ze wel op’. Hbo-instellingen moeten samen met beroepsgroepen toekomstbeelden vormen. Een referentiekader van tot in detail uitgewerkte beroepen, bodies of knowledge, et cetera, zou een uitgebreide beheerprocedure en -organisatie vergen. De doorlooptijd van veranderingen in een dergelijk kader zou lang zijn. Hoe groter de reikwijdte van zo’n referentiekader (de hele Europese Unie, zowel ICT afnemende als leverende bedrijven), hoe dieper het detail en hoe ruimer de belangen (particuliere opleidingen, hoger onderwijs, examenbureaus, accreditatieinstellingen, certificeringsinstellingen, de hele beroepsgroep, HRM), hoe dwingender moeten de overwegingen zijn om iets te veranderen. Dat duurt langer en gewenste wijzigingen vinden niet altijd hun weg in het kader, met bestendiging en ‘verhouting’ tot gevolg. Dit zou het vakgebied juist in de achteruitstand zetten. Bovendien zou dit voor het hoger onderwijs suggereren dat er een stabiel kader is waartegen men zich kan verantwoorden. Een dergelijke veilige verantwoording kon het nemen van verantwoordelijkheid voor beroepsgroepontwikkeling wel eens in de weg staan. We eindigen dan met curricula die zijn gebaseerd op een kader dat enkele jaren achterloopt op ontwikkelingen in het vakgebied, terwijl het studenten moet opleiden voor de beroepsbeoefening vijf tot tien jaar later. Verhouting dus.
 
Vernieuwing van het e-CF zelf
Zoals ik al opmerkte is het e-CF in zekere zin een artefact van het prevalerende denken in het ICT-vakgebied en ik zou dit denken niet graag vast zetten in een standaardiserend raamwerk: mijn derde reden. Tegelijkertijd biedt het e-CF door zijn abstracte formulering gelukkig ook ruimte voor vernieuwing. Zo kan een vaardigheid als ‘het leveren van een bijdrage aan de bedrijfsstrategie’ worden ingevuld met verschillende bodies of knowledge, variërend van traditionele SWOT-analyses en min of meer gedateerde theorieën over strategische planning tot meer eigentijdse theorieën op het terrein van strategievorming zoals de kerncompetentietheorie, ‘resources based’ denken, ‘knowledge based’ denken of gedachtengoed over waarden en identiteit van ondernemingen. Een dergelijke gevarieerde invulling kan voor veel kennis en vaardigheden die in het raamwerk worden genoemd. Daarmee zet het e-CF ons denken dus niet vast en ontstaat ook ruimte om vanuit moderne kenniskaders de dimensies kennis en vaardigheden in het model in te vullen en daarmee het raamwerk te vernieuwen en anders te formuleren, zonder dat het functieprofiel wezenlijk verandert. Met andere woorden, het e-CF laat ruimte om bijvoorbeeld het functieprofiel van de CIO in te vullen met het traditionele ICT-kenniskader, maar laat ook ruimte om dit profiel in te vullen met moderne kenniskaders op bijvoorbeeld het terrein van strategie, organisatieverandering of organisatiepolitiek.
Dit is belangrijk voor HRM en opleidingsdoeleinden, maar draagt ook bij aan doorontwikkeling van het model zelf. Zo kunnen zich in wetenschap, onderwijs en praktijk bodies of knowledge rond functies ontwikkelen die de formulering van die functie in het e-CF kunnen doen evolueren. Dat is voor het vakgebied en het e-CF een veel gezondere ontwikkeling dan dat het e-CF gaat werken als een instrument in handen van een ‘centrale instelling’ die voorschrijft. Het e-CF doet hier zelf weinig uitspraken over, het lijkt een ‘neutraal’ instrument. Daarmee geeft het instrument de ruimte om twee wegen in te slaan: het e-CF als een abstract referentiekader voor variërend lokaal gebruik en het e-CF als een standaardiserend instrument voor ‘centrale geleiding’. Laten we ons inzetten voor het eerste en de gevaren en tendensen die kunnen leiden tot het tweede neutraliseren.
 
KADER: Vereiste strategische competenties voor duurzaam beheer en gebruik van het e-CF
 
• Grote terughoudendheid om ICT-logica te projecteren op domeinen van HRM en onderwijs. HRM-mensen hun HRM-werk laten doen en onderwijsmensen hun werk en daar ondersteunend aan bijdragen.
• Een onderzoekende houding van beroepsbeoefenaars en onderzoek naar veranderingen in de beroepspraktijk door Universities of Applied Science, zodat curricula actueel blijven en beroepsbeoefenaren zich doorlopend kunnen bijscholen.
• Het kritisch volgen van het vakgebied en daarin herkennen of veranderende kenniskaders oude wijn in nieuwe zakken zijn (de zoveelste op systeemtheorie of projectmanagement gebaseerde methode), bewezen praktijken zijn, goed vermarkte handelsmerken zijn of de kennis een zinvolle cross over is uit andere vakgebieden.
• Bijdragen aan een Copernicaanse omwenteling in het vakgebied door doorlopend attent te zijn op situaties waarin ICT’ers zich richten op het middel (systemen en technologie) en niet op het doel (gebruikers en management ondersteuning in het toepassingsdomein) en de onzin hiervan te benoemen.
• Het fluïde en doorlopend ontwikkelende karakter van het vak omarmen, de enige zekerheid is onzekerheid en het vermogen om daarop te kunnen acteren.
 
 
Erik de Vries is lector Innovatie in de Publieke Sector aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Hij ook hoofddocent Business IT & Management aan de Haagse Hogeschool. Hij coördineert de serie artikelen over strategische vaardigheden van de Informatieprofessional 3.0 in Informatie en werkt voor dit project samen met het Ngi en de Academy for Information and Management. E-mail: erik.devries@han.nl
 
Literatuur
Brongers, K. (2013). Social Enterprise. Informatie.Maandblad voor de informatievoorziening. Oktober. Sdu.
Bronsgeest, W. (2013-a), De wereld van de Informatieprofessional 3.0. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. April. Sdu. Bronsgeest, W. (2013-b). De wereld van… cybernetica. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Juni. Sdu.
CEN, European Committee for Standardization (2012), European ICT professional Profiles. CWA 16458.
De Vries, E.J. & B. den Boer (2014). Agenderen van ICT vraagstukken. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Januari. Sdu.
Mosselaer, N. Van de & Sneller, L. (2012). Generatie Ne(x)t en mobiel werken. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. September. Sdu.
Mulder, B. & De Vries, E.J. (2013). Wat betekent het om een

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag