Effecten van ICT op economie en arbeidsmarkt

Effecten van ICT op economie en arbeidsmarkt
ICT brengt economische groei, is het mantra van menig bestuurder in de overheid. ICT-projecten duren lang en leveren te weinig op, is een veel gehoorde verzuchting onder managers en bestuurders in organisaties. ICT biedt kansen op innovatie, zeggen veel ICT’ers.
De arbeidsmarkt schreeuwt om goede ICT’ers, is de aanhoudende roep van de ICT-industrie. Maar welke meetbare effecten heeft ICT op economie en werkgelegenheid en wat kunnen managers en bestuurders hieruit halen?
Erik de Vries
ICT’ers hebben allemaal wel het gevoel dat hun vak ertoe doet. We zien ook allemaal dat onze samenleving in rap tempo veranderd door dit vak. We horen dagelijks hypes waarmee de richting van het vak en veranderingen in de wereld worden geduid: smart cities, cloudcomputing, datascience, et cetera. Dat was twintig, dertig jaar geleden niet anders… maar wat is er nu werkelijk gebeurd in Westerse economieën als gevolg van ICT in de afgelopen decennia?
In dit artikel wordt beschreven welke meetbare effecten ICT op de Westerse samenleving heeft gehad. Dit is gebaseerd op literatuuronderzoek onder wetenschappelijke top journals in de economie en macro-economische studies die zijn gedaan voor de Europese Commissie, de Amerikaanse overheid en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Deze studies geven mede input aan economische beleid in de Europese ruimte en in Nederland, en bepalen daarmee de beleidsruimte waarin ICT’ers hun bijdrage aan de samenleving leveren.
Om de aard en uitkomsten van studies in hun context te kunnen plaatsten, eerst een introductie op de wetenschappelijke discussie die onder macro-economen op dit terrein gaande is. Daarna aandacht voor de bijdrage van ICT aan productiviteit en economische groei, en de globale effecten van ICT op de arbeidsmarkt. Tot slot enkele uitdagingen die in het cijfermateriaal verscholen liggen voor managers, beleidsmakers en ICT-professionals.
Context discussie
De wetenschappelijke discussie rond effecten van ICT op onze economie moet worden gezien in twee contexten. In de jaren tachtig bracht econoom Robert Solow 1 de volgende zorg naar voren: je ziet het computertijdperk overal, behalve in de statistieken over productiviteit. Juist de voordelen die managers toeschrijven aan toepassingen van ICT, zoals verhoogde kwaliteit, varieteit, betere service, snelheid en responsiviteit, bleken moeizaam uit productiviteitsstatistieken te halen. 2 Dit riep zowel vragen op over economische meting en statistieken (meten we wel op een goede manier?) als over wat nu echt het effect is van ICT op de economie.
De tweede context van het wetenschappelijk debat wordt gevormd door het post-1995 productiviteitswonder van de Verenigde Staten. Economen constateerden opmerkelijke verschillen in productiviteitsgroei tussen de VS en de EU gedurende de periode 1995-2006 terwijl deze verschillen in eerdere perioden minder groot waren. Dit riep de vraag op of dat aan de in die jaren sterk gegroeide ICT-sector in de VS zou kunnen liggen. Beiden contexten hebben series van onderzoek opgeleverd die in dit artikel zijn opgenomen.
De macro-economische wetenschap volgt hierbij zijn eigen onderzoeksagenda die gericht is op het verbeteren van begrip over factoren die productiviteit en economische groei beïnvloeden. Dat is een andere agenda dan die van beleidsmakers. U moet dus ook niet verwachten dat redenen voor vergaring van cijfermateriaal door wetenschappers parallel lopen aan beleidsagenda’s. Bovendien is de ‘horizon’ van wetenschappers anders dan die van beleidsmakers. Wetenschappers kijken naar de grote lijn. Zo is het effect van ICT op de arbeidsmarkt er bijvoorbeeld een waarin banen voor opgeleiden in het middensegment stelselmatig verminderen over een periode van meerdere decennia. Hoe dat de afgelopen vijf jaar was en wat een beleidsmaker kan verbeteren voor zijn stad of kiezers, is een hele andere vraag. De eigen agenda van wetenschappers kan ook betekenen dat over sommige perioden of onderwerpen (nog) geen cijfermateriaal bestaat. En meestal juist niet over recente periodes. Het gaat in de wetenschap nu eenmaal niet om regelmatige ‘tellingen’ (om als beleidsmaker een vinger aan de pols te houden), maar veel meer over verbanden.
Bijdrage ICT
Economen drukken economische groei uit in productiviteit. Zij meten economische groei van landen door te meten hoeveel per hoofd van de bevolking wordt geproduceerd. Ze vergelijken dit met voorgaande perioden of andere landen en zoeken naar oorzaken en verbanden. De mate waarin investeringen in ICT hebben bijgedragen aan productiviteitsstijging is zo’n verband.
Macro-economische studies laten zien dat ICT een belangrijke bijdrage levert aan productiviteitsverbetering. Het percentage van groei als gevolg van ICT in de VS 3 was in de periode 1971-1995: 43 procent; tussen 1995-2000: 59 procent; en tussen 2000-2006: 38 procent. Groeials gevolg van ICT bestaat uit drie factoren:4
• productiviteitsgroei in de ICT-producerende industrie;
• investeringen in ICT-kapitaal;
• productiviteit in de dienstensector.
Productiviteitsgroei door ICT is dus niet alleen een gevolg van productiviteitsgroei in de ICT-industrie zelf, maar ook in die van ICT-afnemende industrie. Na 2000 is de bijdrage van niet ICT-producerende sectoren aan productiviteitsgroei toegenomen in belang3, met name die van de dienstensector.5,6 Voor Nederland is dat goed nieuws. Ons land heeft maar een beperkte ICT-industrie en is bij uitstek een diensteneconomie. Productiviteitsgroei van diensten was hoger in de VS5 dan in de EU, maar Nederland en het Verenigd Koninkrijk toonden vergelijkbare groei als de VS. Tussen 1995 en 2004 is er een stevige kloof in productiviteitsverhoging tussen de EU en de VS ontstaan. De bijdrage van ICT aan de groei van arbeidsproductiviteit5 daalde in de EU van 1,6 procentpunt in 1980-1995 tot 1,1 procentpunt 1995-2004, maar verdubbelde in diezelfde periode in de VS van 1,3 procentpunt 1980-1995 tot 2,6 procentpunt. Dit betekent dat de VS gedurende die periode een concurrentievoorsprong heeft opgebouwd op de EU.
Er bestaat overtuigend bewijs dat productiviteitsverhoging als gevolg van ICT vraagt om complementaire investeringen zoals in menselijk, organisatorisch en bestuurlijk kapitaal.7 Investeringen in hardware en software moeten worden aangevuld met veranderingen in de manier van werken, in de organisatie van werk en in de besturing van werk om werkelijk productiviteitsverhoging te kunnen bereiken. ICT-investeringen die gecombineerd worden met decentralisatie blijken bijvoorbeeld een hoge productiviteitsgroeitot stand te brengen.8
Complementariteit impliceert dat...:4
• ... ICT-investeringen, sec, een beperkt effect op de productiviteit hebben; De impact van ICT-investeringen wordt positief zodra deze is gekoppeld aan organisatorische veranderingen;
• ... de opbrengsten van ICT-investeringen hoger worden (tot vijf keer hoger) na een langere periode (tot zeven jaar na de investering). Er is tijd nodig voor reorganisatie om ICT-investeringen productief te maken;7
• ... de verdeling van vaardigheden onder de beroepsbevolking van belang is voor de impact van ICT-investeringen en daarbij passende organisatorische veranderingen; denk onder andere aan e-skills en managementvaardigheden voor organisatieverandering.
• ... niet alle bedrijven op dezelfde manier kunnen profiteren van ICT-investeringen, omdat niet alle bedrijven (en niet alle sectoren) in staat zijn om succesvol organisatorische veranderingen door te voeren (bijvoorbeeld als gevolg van complexe regelgeving, zoals in de zorgsector). Het bewijs van complementariteit vormt een belangrijke argument voor informatiemanagers en business-analisten om te bepleiten om ICT-investeringen en veranderingen in de organisatie tegelijk door te voeren.
Het effect van complementariteit van investeringen varieert tussen landen en is hoger in de VS en het Verenigd Koninkrijk. Macro-economen associëren veel regulering van arbeidsmarkt en productmarkten met een lagere impact van ICT op de productiviteit. De gedachte is dat als er bijvoorbeeld veel regels bestaan die medewerkers beschermen tegen ontslag, het moeilijker is om mensen te ontslaan nadat in ICT is geïnvesteerd en er dus minder productiviteitswinst uit de ICT-investering wordt gehaald. Arbeidsmarktregulering verminderend het effect van ICT op productiviteitsverbetering met 45 procent.
Productmarktregulering heeft een verminderend effect van 16,2 procent.8 Regeldruk blijkt ook te leiden tot lagere ICT-uitgaven. 9 Waarom zou je investeren als je er geen economische effect mee kan behalen? Bestuurlijke maatregelen die regulering verminderen zijn dus bevorderlijk voor de economie. 8 Dat impliceert ook dat wegvallende regelgeving in een sector aanleiding kan zijn om te gaan innoveren met ICT, niet onbelangrijk om te weten als ICT’er. De deregulering in zorg en welzijn zou wel eens dergelijke effecten kunnen hebben.
Cijfers over de periode 1995-2005 tonen dat Amerikaanse multinationals ICT het beste benutten. Ze halen extra rendement uit ICT-investeringen door complementaire investeringen in organisatorisch kapitaal. Zij kunnen dat doen als gevolg van minder regulering van arbeids- en productmarkten op hun thuismarkt. En zij kunnen hun ICT en organisatorisch kapitaal vervolgens exporteren naar dochterondernemingen in andere landen. Amerikaanse ondernemingen zijn zelfs in omgevingen die worden gekenmerkt door strikte regulering van arbeids-en productmarkten productiever. 8 De investeringen die zij op hun weinig gereguleerde thuismarkt snel kunnen terugverdienen, kunnen zij vervolgens makkelijk kopiëren in meer gereguleerde landen. Daar is het economische effect weliswaar lager, maar dat is de investering ook (omdat deze een kopie is van die op de thuismarkt). Minder regulering op thuismarkten vormt dus een betere basis voor wereldwijde concurrentie. Dit toont dat niet alle bedrijven op dezelfde manier kunnen profiteren van ICT-investeringen omdat niet alle bedrijven middenin staat zijn om de vereiste complementaire organisatorische veranderingen succesvol door te voeren. 4, 10 ICT-intensieve bedrijven blijken 25-30 procent sneller te groeien dan andere bedrijven en hebben 4 procent minder kans om af te sterven. 8 Bedrijven kunnen nieuwe software, businessmodels, bedrijfsprocessen, immateriële activa, et cetera in andere productie-eenheden dupliceren zonder verdubbeling van investering. Het verband tussen hogere ICT-investeringen en de kracht van ondernemingen wordt bevestigd door gegevens uit een recente Eurostat-project ‘ICT Impact Assessment’. 2, 11
ICT-investeringen leiden tot ongeveer 0,3 procent jaarlijkse daling van prijzen van Europese producten (zowel ICT-producten als andere producten). Ter vergelijking, het effect op productprijzen van invoer van goederen uit lagelonenlanden zoals China, leidt tot ongeveer dezelfde daling in prijzen van ongeveer 0,3 procent per jaar. 8
Effecten op arbeidsmarkt Welk effect heeft productiviteitsverhoging als gevolg van ICT op de volledige arbeidsmarkt en verdelen de voordelen van productiviteitstoename zich eerlijk over de samenleving? De afgelopen decennia kenmerken zich, in zowel de VS als de EU, door toename van werkgelegenheid onder hoogopgeleiden en laaggeschoolden en door afname van werkgelegenheid in het middensegment (de zogenoemde werkgelegenheidspolarisatie). 12
In de periode 1980-2004 is in landen en bedrijven die duidelijk meer investeren in ICT, de relatieve vraag naar hooggeschoolde werknemers hoger geworden en die naar middengeschoolde werknemers juist lager, zo blijkt uit cijfers over de VS, Japan en negen EU-economieën.13 Beroepen met een hoger opleidingsniveau en een hoger gemiddeld loon groeien sneller in sectoren waarin ICT ook sneller groeit. 14
Technologieën zoals industriële robotica, numeriek bestuurde machines, automatische transcriptie, geautomatiseerd voorraadbeheer of kantoorapparatuur, vervangen routinetaken die in het verleden werden gedaan door mensen met beperkte opleiding (dus in het middenin
segment).14 Bovendien faciliteert ICT de offshoring van werkzaamheden naar lagelonenlanden, hetgeen eveneens vooral negatieve effecten heeft op werkgelegenheid in dit middensegment. 15
Hoogwaardige ICT, zoals datavisualisatie, business intelligence, big data-analyse, et cetera, vragen juist om abstractievermogen en data-driven redeneren onder verschillende beroepsgroepen, en daarvoor is een hoge opleidingsgraad vereist. 14, 16 Er is sprake van kennisintensivering van beroepen uitgeoefend door hoogopgeleiden. De grootste groei van werkgelegenheid heeft plaatsgevonden onder hogeropgeleiden. Banen van hoogopgeleiden laten zich kenmerken door goede salarissen, uitgebreide vereisten aan vaardig-heden en productiviteitsverhoging door ICT. 16
Ook de werkgelegenheid voor laagopgeleiden is in de jaren 1990-2000 gegroeid, met name in de beveiliging, voedselbereiding, schoonmaak en persoonlijke verzorging.12 Dit betreft dus routinematig werk dat vraagt om persoonlijke aanwezigheid en dat (nog) niet vervangbaar is door ICT. Het moge duidelijk zijn dat als banen voor het middensegment verdwijnen, zij zich moeten richten op banen waarop ook de laaggeschoolden zich richten. Hiermee ontstaat grotere concurrentie op de arbeidsmarkt en volgens economische principes dus lagere lonen.
Inkomensontwikkeling
Als gevolg hiervan is naast werkgelegenheidspolariteit ook sprake van inkomenspolariteit. Het weekloon van laagopgeleiden in de VS is de afgelopen vier decennia gedaald. Het aantal banen voor hoogopgeleiden en hun salaris is juist gestegen. 17 Tussen 1979 en 2004 is de loonkloof tussen mannen van dertig met en zonder een bachelortitel in de VS gestegen van 17 procent naar 50 procent.16 ICT leidt dus tot werkgelegenheidspolarisatie en indirect ook tot inkomenspolarisatie. Beide polarisaties tonen dat de voordelen van productiviteitsstijging als gevolg van ICT groter zijn bij hoogopgeleiden landen.
ICT schept uiteraard ook banen. De EU verwacht in 2015 rond de 700.000 onvervulbare vacatures in de ICT. Ook in de VS en Zuidoost-Azië worden tekorten verwacht. Eind 2010 waren er 4,1 miljoen Europeanen werkzaam als ICT-beoefenaar (in de smalste definitie), een stijging ten opzichte van 2,7 miljoen banen tien jaar eerder, met nog eens 1,1 miljoen mensen in daaraan verwante beroepen. Vijfenvijftig procent daarvan werkt in de ICT-afnemende industrie en dus niet in de ICT-industrie zelf. ICT-specialisten zijn goed voor 3,2 procent van de werkgelegenheid in de EU. Geavanceerde ICT-gebruikers maken 18,5 procent van de beroepsbevolking uit.18 Vijfenvijftig procent van de Nederlandse ICT-beroepsbevolking is hoogopgeleid, tegen 34 procent in de rest van de beroepsbevolking. Investeren in onderwijs – zodat middenopgeleiden een hogere beroepskwalificatie kunnen behalen, er meer bekwame ICT’ers komen, meer managers kennis hebben van ICT-gerelateerde processen en e-skills groeien onder de beroepsbevolking – lijken voor de hand liggend. Het heeft als bijkomend effect dat ICT zich sneller verspreid in de samenleving waardoor het economische effect ervan kan toenemen.8 Het effect van onderwijs is in statistieken echter moeilijk aan te tonen, omdat de tijdspanne tussen het volgen van onderwijs en het effect ervan te groot is om statistisch verbanden te kunnen leggen.
Tot slot
Er zitten drie macro-economische kanten aan ICT. ICT leidt tot productiviteitsgroei. Afhankelijk van de periode waarover wordt gemeten draagt het voor een derde tot 50 procent bij aan de productiviteitsgroei. Dat is substantieel. Vooral mooi is dat ICT leidt tot productiviteitsgroei in de dienstverlening, een sector waarvan economen lang hebben beweerd dat de productiviteitsgroei ervan laag was. ICT leidt ook tot nieuwe werkgelegenheid op het terrein van ICT waarvan nog steeds meer dan de helft in ICT-afnemende organisaties. ICT leidt echter ook tot polariteit op de arbeidsmarkt, tot het wegvallen van banen in het middensegment, tot concurrentie op de arbeidsmarkt voor banen waarvoor weinig opleiding nodig is (en dus voor loondaling), en voor kennisintensivering van beroepen voor hoogopgeleiden. Dit laatste betekent dat hoogopgeleiden meer tijd moeten besteden aan post-initiële scholing, hetgeen weer ten koste gaat van hun arbeidsproductiviteit.
Voor managers en beleidsmakers liggen in het cijfermateriaal verschillende uitdagingen verscholen. De noodzaak tot complementair investeren om productiviteitswinst te behalen, bevestigt nog maar weer eens het belang van tegelijk investeren in ICT en het veranderen van de organisatie. ICT is een organisatietechnologie. Bovendien toont het dat bedrijven die hierin bedreven zijn een betere toekomstverwachting hebben dan bedrijven die op dit punt achterblijven. Het cijfermateriaal geeft daarmee geen aanleiding om te denken dat investeren in ICT niet strategisch zou zijn.
De associatie tussen regulering en beperkte incentives voor ICT-investeringen moet managers en beleidsmakers erop attenderen dat deregulering (zoals de overheid in verschillende sectoren voorstaat) noodzaakt tot investering in ICT. Als men dat niet doet, dan kan het zijn dat buitenlandse bedrijven die wel de productiviteitsverhoging door ICT hebben bereikt hen inhalen of overnemen. In de wereldwijde ratrace is achterblijven nauwelijks een optie.
Arbeidspolariteit roept uitdagingen op. Tenslotte is meer dan de helft van de bevolking niet hoog opgeleid. Voor hen is er steeds minder werk en dus ook minder inkomen. Bovendien kan niet eeuwig worden voldaan aan de groei van werk voor hogeropgeleiden en al evenmin aan de kennisintensivering binnen de beroepen voor hoogopgeleiden. Na zeven jaar recessie lijkt dit geen probleem te zijn, maar enige jaren economische groei kan Nederland voor stevige arbeidsmarktproblemen stellen. Een interessante vraag is of ICT hier oplossingen kan bieden. Zouden we bijvoorbeeld software, games of virtual reality tools kunnen bouwen waarmee middenopgeleiden het werk kunnen doen van hogeropgeleiden?
ICT-professionals moeten erop bedacht zijn dat de ‘uitholling’ vanuit het midden van de arbeidsmarkt ook voor ICT-beroepen kan gelden. Het percentage hoogopgeleiden in de ICT ligt al hoger dan in andere sectoren en de kennisintensivering van het beroep zou nog wel eens verder kunnen toenemen. Continue doorscholing en regelmatig nieuwe uitdagingen aangaan, lijkt een goed advies.
 
Erik de Vries is lector Innovatie in de Publieke Sector aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Hij is tevens hoofddocent Business IT & Management aan de Haagse Hogeschool. E-mail: Erik.deVries@han.nl
 
Referenties
[1] Solow R. (1987). We’d Better Watch Out. New York Times Book Review, July 12, 36
[2] Brynjolfsson E. & Yang S. (1996). Information Technology and Productivity: A Review of the Literature. Advances in Computers. Vol. 43, 179-214.
[3] Jorgenson D.W., Ho M.S. & Stiroh K.J. (2008). A Retrospective Look at the U.S. Productivity Growth Resurgence. Journal of Economic Perspectives, 22 (1), 3-24.
[4] Biagi, F. (2013). ICT and Productivity: a revieuw of the literature. JRC Technical Reports. EU Digital Economy Working Paper 2013/09.
[5] van Ark B., O’Mahony, M. & Timmer, M.P. (2008). The Productivity Gap between Europe and the United States: Trends and Causes. Journal of Economic Perspectives, 22 (1), 25-44.
[6] Triplett J.E. & Bosworth, B.P. (2004). Services Productivity in the United States: New Sources of Economic Growth. Washington D.C.: Brookings Institution Press.
[7] Brynjolfsson E. & Hitt L.M. (2000). Beyond Computation: Information technology, Organizational Transformation and Business Performance. Journal of Economic Perspectives, 14, 23-48.
[8] Van Reenen, J., Bloon, N., Draca, M., Kretschmer, T. & Sadun, R. (2010). The economic impact of ICT. Enterprise LSE.
[9] Gust, C. & Marquez, J. (2004). International Comparisons of productivity growth: the role of information technology and regulatory practices. Labour Economics, 11, 33-58.
[10] Milgrom P. & Roberts J. (1990). The Economics of Modern Manufacturing: Technology, Strategy, and Organization. American Economic Review, 80 (3), 511-528
[11] Bartelsman, E.J. (2010). Searching for the sources of productivity from macro to micro and back. Industrial and Corporate Change. 19(6), 1891-1917.
[12] Autor, D. H. & Dorn, D. (2009). This Job is Getting Old: Measuring Changes in Job Opportunities using Occupational Age Structure. American Economic Review Papers and Proceedings, 99, 84.
[13] Michaels, G., Ashwini, N., & Van Reenen, J. (2009). Has ICT Polarized Skill Demand? Evidence from Eleven Countries over 25 years. London School of Economics Centre for Economic Performance Working Paper, December 2009.
[14] Autor, D. H., Katz, L. F. & Krueger, A. B. (1998). Computing Inequality: Have Computers Changed the Labour Market? Quarterly Journal of Economics, November, 1169-1213.
[15] Autor, D. H., Levy, F., & Murnane, R. J. (2003). The skill content of recent technological change: An empirical exploration. Quarterly Journal of Economics, 118 (4), 1279-1333.
[16] Levy, F. & Murnane, R.J. (2004). The New Division of Labor. New Jersey: Princeton University Press.
[17] Acemoglu, D.H. & Autor, D. (2010). Skills, Tasks and Technologies: Implications for Employment and Earnings. Handbook of Labour Economics. 4 (B), 1043-1171.
[18] European Commission (2012). Exploiting the employment potential of ICTs. Commission staff working document.

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag