Het revolutionaire van therapeutische robots

Het revolutionaire van therapeutische robots
Een aandoenlijk zeehondje, een babydinosaurus, een houterig jongetje en een paniekerige legorobot: therapeutische robots zijn de voorlopers van een nieuw fenomeen. We gaan bijzondere emotionele relaties krijgen met systemen van staal en kunststof.
Marcel Heerink
Als we kijken naar wat futurologen en sciencefiction ons enkele decennia geleden voorspeld hebben, zouden we met recht teleurgesteld kunnen zijn. Neem de film Blade Runner uit 1982 (Scott 1982) waarin wordt verwacht dat we in 2019 andere planeten zijn gaan bevolken en dat we daarbij geholpen zijn door androïde (heel erg op mensen lijkende) robots. In die tijd leek dat niet zo gek, maar nu weten we dat we dit voorlopig nog niet waar gaan maken.
Wat we wel hebben: industriële en logistieke robots die in steeds meer sectoren hun weg vinden, robotstofzuigers, grasmaairobots, robotverkenners op Mars, robots die door brandende huizen kunnen gaan. Maar dat haalt het niet bij Blade Runner.
Dat neemt niet weg dat de robots eraan komen: ze gaan ons leven veranderen, geleidelijk, maar zeker, net zoals internet dat heeft gedaan. Ons dagelijks doen en laten zal er anders door worden, onze blik op de wereld, op ons sociale leven wordt anders. En dat alles heeft heel veel te maken met emoties.
 
Poëtische robot
Nog even over Blade Runner. In die film speelt Rutger Hauer met verve de rol van Roy Batty, een sterke, intelligente, maar ook rebellerende robot. Hij is officieel over zijn houdbaarheidsdatum heen, maar wil daar niets van weten en pleegt vreselijke moorden vanuit de wens om te blijven leven. Harrison Ford speelt de agent die hem alsnog moet uitschakelen.
Aan het eind, net als je Rutger bent gaan haten, gebeurt er iets bijzonders. Als Harrison in een gevecht met hem te pletter dreigt te vallen, pakt hij hem op het laatste moment beet en redt de man die was gekomen om hem te doden. En dan voelt hij dat hij het niet gaat redden. Hij gaat zitten, in de regen en houdt een beroemd geworden monoloog, waarin hij in poëtische stijl terugblikt op momenten in zijn leven: “All those moments will be lost in time, like tears in the rain.” Je krijgt zowaar sympathie voor hem.
Hoewel dit vergaande sciencefiction is, illustreert het de mogelijkheden en beperkingen van sociale robots. Zij zijn gemaakt voor een doel en kunnen daar niet voorbij. Maar dat neemt niet weg dat we iets voor ze kunnen voelen. Net zoals we dat kunnen voor Wall.E (Stanton 2008), het blikken tekenfilmrobotje dat aandoenlijk vormgegeven is en herkenbare emoties laat zien. Dat maakt dat we ons in hem kunnen verplaatsen en dat maakt weer dat we van hem kunnen houden.
 
Van emotie naar therapie
Van sciencefiction naar een robotje dat al een paar jaar lang gewoon te koop is: Pleo (Perry 2008), een soort dinosaurus, maar dan ter grootte van een muskusrat. Hij kan erg schattig doen, kan zelfs wat dingen leren, en ieder exemplaar heeft een eigen karakter en staat van volwassenheid. Dat karakter krijg je van de fabriek, de staat van volwassenheid verandert na verloop van tijd. Bij experimenten met kinderen die ermee speelden was duidelijk dat ze er gevoelens voor kregen die vergelijkbaar waren met wat ze voor dieren voelden (Fernaeus, Håkansson et al. 2010, Heerink, Díaz et al. 2010). Ze weten daarbij dat het geen echt diertje is, maar gaan er wel als zodanig mee om en huilen zelfs als ze denken dat hij pijn heeft. Dat maakt dat Pleo (nu al te koop voor minder dan 200 euro) met wat aanpassingen ingezet kan worden bij kinderen in het ziekenhuis, zelfs op afdelingen waar hoge eisen aan de hygiëne gesteld worden. Hij kan daarbij gebruikt worden als maatje, maar vooral ook als therapeutisch instrument om de kinderen te helpen een intensieve behandeling te verwerken.
En met die emoties kan een robot nog meer. Kinderen met een zware vorm van autisme hebben er namelijk iets bijzonders mee. Deze kinderen zijn sterk in zichzelf gekeerd, heel slecht in de omgang met sociale signalen. Bovendien kunnen ze moeilijk omgaan met verandering en dingen die onvoorspelbaar zijn en communiceren eigenlijk nooit over wat ze voelen. Maar ze hebben iets moois met robots. Want die zijn voorspelbaar, controleerbaar.
 
Kaspar
Aan de universiteit van Hertfordshire (Engeland) is in de onderzoeksgroep van hoogleraar Kerstin Dautenhahn een vorm van therapie ontwikkeld met een robotjongetje dat Kaspar heet (Robins, Dautenhahn et al. 2009). De man die zich in haar team volledig heeft toegelegd op Kaspar, is Ben Robins. Hij reist de wereld rond, geeft workshops en laat met filmpjes en demonstraties zien hoe Kaspar werkt. Het robotjongetje is inmiddels in productie genomen.
In de filmpjes zie je hoe de autistische kinderen direct op de robot toelopen en er contact mee zoeken. Vervolgens gaat Kaspar hun gebaren imiteren. En de interesse groeit als blijkt dat ze geheel zelf kunnen bepalen wat de robot doet. Het wordt helemaal fantastisch als de robot simpelweg doet wat hij zegt dat hij gaat doen, op de afgesproken tijd, op de afgesproken plaats. En zet je na een reeks sessies de kinderen bij elkaar, of naast een niet-autistisch kind, dan gaan ze met dat kind praten over die robot. Deelt dat kind die fascinatie dan groeit er iets. Dan gaat het kind contact maken, praten over de robot met andere kinderen – na verloop van tijd zelfs over dingen die niets met de robot te maken hebben. De robot trekt ze over een grens. Maar ook andere kinderen hebben vaak iets met robots. Er worden bijvoorbeeld therapieën ontwikkeld voor kinderen met hersenbeschadiging en voor kinderen met fobieën.
Voor dat laatste werd een aanzet gegeven tijdens een robotconferentie in Amsterdam in 2008. Er was een competitie voor studententeams die robots moesten bouwen met Mindstorms, een pakket om robots te bouwen van Lego. De strijd werd gewonnen door studenten van de Universiteit van Amsterdam. Ze ontwikkelden Phobot, een robot die bang is. Bijvoorbeeld voor andere, vooral grotere robots. Komt hij een grotere robot tegen, dan deinst hij paniekerig terug. Kinderen met bepaalde fobieën kunnen de Phobot helpen, door hem stukje bij beetje te laten wennen aan robots die groter zijn. Door die oefening leren de kinderen hoe je angsten kunt overwinnen. De Phobot is overigens nooit verder ontwikkeld, al zijn er projecten met een vergelijkbare strategie (Fong, Dautenhahn et al. 2008).
 
Babyzeehond
Iets bekender is Paro, de robot die ontwikkeld is voor mensen met dementie en gemaakt wordt in een fabriekje in Toyama, Japan (Shibata en Wada 2010). Het idee daarvoor kwam vanuit een therapie die al eerder werd toegepast: animal assisted therapy (Beck 1996, Yanagi en Tomura 2002). Als je mensen met dementie activiteiten laat uitvoeren met dieren, worden hersengebieden geactiveerd die dat misschien al jaren niet waren. En daar komt veel bij los wat betreft emoties. En dat draagt bij aan het welzijn van de ouderen: ze zijn meetbaar gelukkiger, actiever en gezonder. Bovendien is het dankzij die loskomende emoties voor de familie makkelijker om contact met ze te hebben.
Het werken met dieren is echter niet altijd even makkelijk en soms zelfs niet haalbaar. Je moet immers ook aan hun welzijn en veiligheid denken en ze hebben er niet altijd zin in om geknuffeld te worden. Een robot heeft veel minder zorg nodig en heeft er altijd zin in. Dat gekozen is voor een zeehond had er enerzijds mee te maken dat het een neutraal dier is. Er zijn mensen die traumatische ervaringen hebben met honden en sommige hebben dat met katten. Maar niemand heeft traumatische ervaringen met zeehonden. Bovendien zijn ze niet erg ingewikkeld te bouwen wat betreft armen en benen.
En Paro werkt. Kijk je in zijn grote donkere ogen, dan smelt je. Ouderen die soms jarenlang nauwelijks een woord met iemand spreken, gaan ineens praten, lachen en kinderliedjes neuriën terwijl ze het beestje in slaap proberen te wiegen. De effectiviteit van Paro wordt daarbij versterkt door zijn geavanceerde interactie, hij laat voelen dat hij je herkent en dat hij zich veilig voelt bij je, met lieve geluidjes en door zijn hoofd op je schouder te laten rusten. Recent onderzoek laat echter zien dat niet alle dementiepatiënten zich aangetrokken voelen tot een zeehond. Sommigen hebben meer affiniteit met een ander dier, zoals een hond of een kat. Geleidelijk komen er dan ook alternatieven op de markt, zoals de Zweedse Justocat (RobynRobotics 2014).
 
Nieuwe sociale dimensie?
Therapeutische robots laten zien dat we iets moois kunnen hebben met een robot. Een sociale relatie met iets mechanisch. Enerzijds is dat iets revolutionairs, maar wellicht is dat helemaal niet opzienbarend, want het sluit aan bij een min of meer natuurlijke neiging.
In 1996 verscheen er een boek van de Amerikaanse onderzoekers Byron Reeves en Clifford Nash met de titel The Media Equation (Reeves en Nass 1996). Het gaat over onderzoek dat laat zien hoe we met apparaten omgaan: we geven beleefd antwoord als een computer ze iets vraagt, worden boos als die computer iets kwetsends zegt. En al dan niet bewust schrijven we die computer ook een persoonlijkheid toe, terwijl we best weten dat het alleen maar een computer is. Een medium. En we geven in de regel niet toe dat we de computer wel of niet aardig vinden, of boos zijn op die computer. Het blijkt uit ons gedrag.
Als we dit principe doortrekken naar robots die sociaal kunnen communiceren en een gevorderde vorm van artificiële intelligentie hebben, dan zien we een nieuwe vorm van relaties opkomen. Dan zijn robots niet alleen apparaten van kunststof en roestvrij staal, maar ook sociale entiteiten. Dan kan een robot voor ons hetzelfde betekenen als een dier of een mens. Hij kan een vriend zijn, je kunt ervan houden, je kunt er boos op worden en er jaloers op zijn.
 
Frankenstein
En je kunt er bang voor zijn, vooral als die robot zo geavanceerd is dat hij superieur wordt en een bedreiging zou kunnen vormen, zoals in Blade Runner. Een thema dat in veel sciencefictionliteratuur terugkeert en door schrijver Isac Asimov treffend omschreven werd als het ‘Frankenstein-complex’ (Asimov 1950). En we zouden ook nog eens in een identiteitscrisis terecht kunnen komen, want robots zullen ooit alles kunnen wat wij kunnen. Beter zelfs. Ze zullen kunnen praten, lachen, luisteren en zingen. Wie weet zullen ze zelfs ooit kunnen voelen wat wij voelen. Ze zullen met ons werken, maar ook met ons spelen. Ze zullen ons bedienen, maar ook instrueren. We kunnen ons afvragen wie wij dan nog zijn. Zijn wij onszelf overbodig aan het maken?
Maar vooralsnog een geruststellende gedachte: robots zijn gemaakt met een doel – om te werken, therapeutische sessies met ons te hebben of om onze branden te blussen. Hoe slim ze ook zullen zijn, ze zullen altijd beperkt zijn tot dat doel. Als ze gemaakt zijn om ons te bedienen, dan zullen ze omgebouwd moeten worden als ze gebruikt moeten worden om branden te blussen. Daar komt bij: waar die robot gemaakt is voor een bepaald doel, kunnen wij ons doel kiezen. Wij kunnen een doel weigeren als ons dat wordt opgedrongen. We kunnen kiezen voor goed, voor kwaad. Voor wie we willen zijn en voor wie we niet willen zijn. En als we wat dat betreft al te zeer de weg kwijtraken, zullen er therapeutische robots zijn die ons weer overeind helpen.
 
Dr. Marcel Heerink is senior onderzoeker bij het lectoraat Robotica van de Hogeschool Windesheim Flevoland in Almere en associate professor bij LaSalle University in Barcelona. Hij doet onderzoek en leidt projecten op het gebied van robots in de zorg en verdiept zich in de relaties van mensen met robots. E-mail: mheerink@xs4all.nl
 
Literatuur
Asimov, I. (1950). “I, Robot.” New York: Grosset & Dunlap.
Beck, A. (1996). Between Pets and People: The Importance ofAnimal Companionship, Purdue University Press.
Dautenhahn, K. (1999). Robots as social actors: Aurora and the case of autism. Proc. CT99, The Third International Cognitive Technology Conference, August, San Francisco.
Fernaeus, Y., M. Håkansson, M. Jacobsson en S. Ljungblad (2010). How do you Play with a Robotic Toy Animal? A long-term study of Pleo. IDC 2010, ACM Press. Fong, T., K. Dautenhahn, M. Scheutz en Y. Demiris (2008). “The Third International Conference on Human-Robot Interaction.” AI Magazine 29(2): 77.
Heerink, M., M. Díaz, J. Albo-Canals, C. Angulo, A. Barco, J. Casacuberta en C. Garriga (2010). A field study with primary school children on perception of social presence and interactive behavior with a pet robot. RO-MAN. Paris, IEEE.
Perry, T. S. (2008). “TOOLS & TOYS-Pleo, the robotic pet.” IEEE Spectrum 45(4): 20-20.
Reeves, B. en C. Nass (1996). The Media Equation. How people treat computers, television, and new media like real people and places, CSLI Publications and Cambridge university press.
Robins, B., K. Dautenhahn en P. Dickerson (2009). From isolation to communication: a case study evaluation of robot assisted play for children with autism with a minimally expressive humanoid robot. Advances in ComputerHuman Interactions, 2009. ACHI'09. Second International Conferences on, IEEE.
RobynRobotics. (2014). “Home of JustoCat.” from http:// www.robynrobotics.se/.
Scott, R. (1982). Blade Runner. Warner Brothers.
Shibata, T. en K. Wada (2010). “Robot therapy: a new approach for mental healthcare of the elderly–a mini-review.” Gerontology 57(4): 378-386.
Stanton, A. (2008). Wall.E, Disney - Pixar.
Yanagi, H. en S. Tomura (2002). “A Pilot Study for AnimalAssisted Therapy using Companion Animal Type Robot (AIBO) in Primary Care Setting.” Japanese Journal of Primary Care 25(2): 108-114.
 

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag