Hoe verweef je toekomstverkenning in beleid?

Hoe verweef je toekomstverkenning in beleid?
Er bestaat een discrepantie tussen het belang van toekomstverkenning en de mate waarin er iets mee wordt gedaan in beleidsprocessen. Welke strategische competenties zijn vereist om toekomstige mogelijkheden van technologie te verweven in bedrijfsen overheidsbeleid?
Erik de Vries en Hans Hoogeboom
De laatste decennia staat toekomstverkenning in de belangstelling. Het gebruik van scenariostudies door bedrijfsleven en (semi-) overheid die ‘emerging trends’ onderzoeken is populair. In Nederland houden verschillende instanties zich bezig met strategische verkenning van de toekomst in relatie tot technologie en onderzoek, zoals het Rathenau Instituut, Stichting Toekomstbeeld der Technologie, de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) en Instituut Clingendael. Ook provincies, steden, sectoren en grote ondernemingen doen aan toekomstverkenning. Recentelijk is een studie verschenen over technologieverkenning bij drie Duitse telecom giganten (Rohrbeck, 2010) en Koninklijke Shell werd er beroemd mee (Shell, 2005).
Toekomstonderzoek beoogt onzekerheid en complexiteit te reduceren, dan wel onzekerheden inzichtelijk te maken zodat duidelijk wordt welke mogelijke toekomsten zich kunnen ontvouwen. De functie is hoofdzakelijk het openen van onbekende of nieuwe perspectieven, het verkennen van opties, het blootleggen van “grijze vlekken”, het ontwerpen van mogelijke toekomsten en het bieden van concrete handelingsopties (Blumenfeld, 1999). Van Asselt et al. (2005) voegen daaraan toe dat toekomstverkenning beleidsvorming kan steunen door:
• Een beter inzicht in impliciete aanname van het vigerende beleid te geven.
• Kritische reflectie te bieden op aannames over (causale) relaties.
• Handreikingen te bieden voor het opzetten of verfijnen van monitoring. Uit onderzoek binnen de overheid blijkt betrokkenheid van de ambtelijke top de belangrijkste succesfactor (56 procent) te zijn, gevolgd door de juiste timing van de toekomstverkenning (43.3 procent) en de maatschappelijke relevantie van het onderwerp (41.7 procent). De faalfactoren zijn de pendant van de succesfactoren: het ontbreken van betrokkenheid van de ambtelijke top en directie, onvoldoende aansluiting bij het vigerende beleid en de politieke agenda en onvoldoende draagvlak en interesse vanuit de politiek (Van der Duin et al., 2008). Zij stellen dan ook: ‘Zonder zichtbare adoptie, verwerking of doorvertaling naar beleid verliest een toekomstverkenning al snel aan waarde.’
Ook In ’t Veld (2010) tempert de vaak hoog gespannen verwachtingen: ‘Bevindingen, conclusies en aanbevelingen die volgen uit toekomstonderzoek worden zelden of nooit onmiddellijk direct en zonder vertaalslag overgenomen.’ Van der Steen et al. (2009) stelen: ‘Er bestaat een intrinsieke afstand tussen het werk en het resultaat van toekomstverkenning enerzijds en strategische organisatieprocessen anderzijds. Er wordt weliswaar relatief veel aan toekomstverkenning
gedaan, maar tegelijkertijd wordt er in strategische processen nog altijd maar weinig mee gedaan.’ Over technologie merkt De Wilde (2000) op dat het manco van ‘de toekomstindustrie’ is dat aan nieuwe apparaten en technieken geheel ten onrechte steeds weer het vermogen wordt toegedicht om oude maatschappelijke problemen op te lossen.
Er bestaat dus een discrepantie tussen het belang van toekomstverkenning en de mate waarin er iets mee wordt gedaan in beleidsprocessen. Dit roept de vraag op welke strategische competenties vereist zijn voor het verweven van toekomstige mogelijkheden van technologie in beleid van bedrijven en overheden. Omdat meer dan de helft van de innovaties in ons land een belangrijke ICT-component heeft en tachtig procent van onze economie dienstverlenend is (waarvoor ICT dé technologie is) is deze vraag relevant voor informatieprofessionals die op strategische niveau willen opereren.
Competenties
Welke competenties hebben toekomstverkenners? In de literatuur wordt weinig expliciet geschreven over competenties van de toekomstverkenner.
Dat is opmerkelijk, aangezien toekomstverkenningen doorgaans het strategische domein van organisaties raken en daarmee van invloed zijn op toekomstig beleid en de richting van de organisatie. Gelukkig zijn er enkele uitzonderingen. Van der Duin et al. (2008) komen tot drie competenties:
• Het benutten van de rechter hersenhelft; creativiteit en ‘out of the box’ kunnen denken.
• Sterk zijn in relaties, zowel intern als extern. Hier gaat het om het kunnen benutten van verschillende netwerken en weten waar relevante informatie te halen is.
• Inhoudelijk goed op de hoogte zijn. Domeinkennis wordt belangrijk geacht om nieuwe informatie goed op waarde te kunnen schatten.
In ’t Veld (2010) voegt daaraan toe: ‘Des te onzekerder de toekomst, des te belangrijker flexibiliteit als bouwsteen wordt.’ Flexibiliteit moet in deze context uitgelegd worden als veerkracht die nodig is om te kunnen reageren op onvoorziene problemen of kansen. In ’t Velt (2010) stelt dat met name reflexief vermogen cruciaal is bij toekomstonderzoek. Reflexiviteit is het menselijk vermogen om toekomstige situaties te verbeteren door van eerder (onjuist of ineffectief) gedrag te leren. Deze vaardigheid is belangrijk omdat zowel de intensiteit als de snelheid van het samenspel tussen ‘wicked problems’ en reflexiviteit toeneemt.
Van de actoren wordt verwacht dat naast bestaande waarheden alternatieve waarheden kunnen worden gecreëerd. In ’t Veld stelt dat de opdrachtnemers van toekomstonderzoek hun reflexiviteit en hun communicatievermogen kunnen verbeteren. Het vergroten van het draagvlak van toekomstonderzoek kan worden bereikt door meer aandacht voor de interactie met opdrachtgevers beleidsmakers en andere actoren gedurende het gehele proces. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met verschillen in de (denk-) wereld van beslissers en toekomstverkenners. Toekomstverkenners exploreren onzekerheid, terwijl beleidsmakers op zoek zijn naar zekerheid; toekomstonderzoeken monden vaak uit in algemene uitspraken, terwijl beleidsbeslissers juist op zoek zijn naar specifieke kennis. Juist het betrekken van beleidsmakers biedt hen zekerheid over het proces en de mogelijkheid om mee te groeien in alternatieve waarheden. Het biedt onderzoekers zicht op de specifieke kennis die beleidsmakers zoeken.
Toekomstverkenners verkend
Met het centraal stellen van reflexief vermogen raakt In ’t Veld de kern. De vraag is: Waar ligt de toekomst? Ligt die voor ons of in ons? Voor een dieper begrip van reflexiviteit moeten we terug naar het werk van Carl Weick (1995) over sensemaking in organizations en het sociaal constructivisme. Weick omschrijft sensemaking (betekenisgeving) als een proces waarin mensen, en dus ook toekomstverkenners en besluitvormers, trachten situaties te omschrijven in woorden die dienen als springplank voor actie (Weick, 2005). Mensen construeren daarmee hun werkelijkheid. Weick sluit aan bij het sociaal constructivisme. De leer die ons vertelt dat de objectieve werkelijkheid niet bestaat (Berger en Luckmann, 1966). De wereld is betekenisloos en krijgt alleen in menselijke waarneming subjectieve betekenis. Onze werkelijkheid is dus een mentale constructie. Hoe wij de werkelijkheid interpreteren is een telkens terugkerende subjectieve en persoonsgebonden evaluatie van die waargenomen werkelijkheid. Het verloop van dit proces is verschillend en afhankelijk van eerdere ervaringen, opgedane vaardigheden en attitude van diegene die interpreteert. Sensemaking is dus een iteratief proces zonder ondubbelzinnig herkenbaar begin of einde (Weick, 1995).
Onze constructie van de werkelijkheid is sociaal (Berger en Luckmann, 1966). De interactie tussen mensen is vanaf de geboorte tot de dood een permanent indoctrinerend proces, waarbij de kijk op de wereld continu wordt beïnvloed. Betekenisgeving vindt plaats in de sociale context (Weick, 1995). Wat mensen denken dat waar is – ‘mijn waarheid’ – is geen reflectie van de werkelijkheid, maar wordt gevormd door de sociale context waarin zij handelen. Dit draagt ertoe bij dat mensen selectief informatie verwerken en geneigd zijn (sociale) bevestiging te zoeken voor de kennis waarover ze al beschikken. Hierdoor ontstaan ‘blinde vlekken’ in waarnemingen en in het handelingsrepertoire. Mensen zijn in die sociale context geneigd denkbeelden voor waar aan te nemen wanneer ze afkomstig zijn van mensen van wie ze afhankelijk zijn (ouders, verzorgers, leidinggevenden), van mensen die ze vertrouwen (opvoeders, leerkrachten, adviseurs) en/of van mensen wier waarden en normen zij delen (rolmodellen). Sensemaking kan dus niet los worden gezien van iemands identiteit (Weick, 1995) die wordt gevormd uit sociale interacties en daarin ook veranderd kan worden. Eerdere sociale interacties framen de categorieën/taal waarin mensen toekomstige situaties kunnen benoemen en vormen/beperken daarmee de actie. Framing is de ordening, classificatie, interpretatie en verklaring van individuele ervaringen in een bepaald patroon (Pan en Kosicki, 1993). De functie van framing is grip te krijgen op en betekenis te geven aan de complexe wereld om ons heen.
‘Sensemaking takes place when people are not able to use their normal routines and need to create new meaning to cope with reality’ (Weick, 1995). Toekomstverkenning is een proces waarin de dagelijkse routine bewust wordt uitgedaagd en de grenzen van de bestaande realiteit worden opgezocht. Sensemaking staat dus centraal in toekomstverkenning.
In ’t Veld (2010) vult de hiervoor weergegeven visie van Weick verder aan en stelt dat wij onze werkelijkheid door actuele, specifieke en individuele sluiers van waarden waarnemen. ‘Actueel’ omdat waarnemingen doorgaans aan veranderingen onderhevig zijn en in de loop van de tijd kunnen wijzigen. ‘Specifiek’ omdat onze waarden variëren met het object van waarneming. En ‘individueel’ omdat het om exclusieve persoonsgebonden waarnemingen gaat. Terwijl wij waarnemen en de gedane waarneming interpreteren, wordt er direct verbinding gemaakt met reeds opgeslagen waarden en normen waarna er bevestiging of eventuele bijstelling van die waarden en normen plaatsvindt. Pirsig (1991) gaat nog een stap verder en stelt dat de wereld zoals wij die ervaren uitsluitend uit morele waarden bestaat. Onze waarden creëren feiten of gebeurtenissen en niet andersom. Sabatier en Jenkins-Smith (1993) onderscheiden waardensystemen in drie met elkaar verbonden lagen die bij de vorming van beleid van invloed zijn. Deze paradigma’s zijn volgens hen onderling met elkaar verbonden en kenmerkend voor ieder mens, maar ook voor onderling verbonden groepen.
• Een diepe normatieve kern, waarin waarden liggen opgeslagen die niet of amper te wijzigen zijn, aangeduid als institutionele paradigma’s.
• Fundamentele standpunten met betrekking tot de strategie aan de hand waarvan de in de normatieve kern opgeslagen waarden te realiseren zijn. Ook deze standpunten zijn niet eenvoudig te wijzigen en worden aangeduid als inhoudelijke paradigma’s.
• Een laag van secundaire waarden die betrekking hebben op instrumentele beslissingen die nodig zijn om de dieperliggende waarden te realiseren. Deze waarden zijn gemakkelijker te wijzigen en te beïnvloeden en worden aangeduid als instrumentele paradigma’s.
Conclusie en reflectie
De door Van der Duin et al. (2008) genoemde succesfactoren voor toekomstverkenning (betrokkenheid van de top, juiste timing en relevantie van het onderwerp) zijn vanuit sociaal-constructivistisch oogpunt hetzelfde, namelijk deelname aan sociale interactie in relevante netwerken. Van de door hen benoemde drie competenties van toekomstverkenners komen er twee overeen met de competentie ‘deelname aan sociale interactie in relevante netwerken’ (sterk in relaties en inhoudelijk goed op de hoogte). Toekomstonderzoek kenmerkt zich bij uitstek door het interdependente karakter en vraagt om interactie in netwerken van wetenschap, praktijk en directe collegae. De derde door Van der Duin et al. genoemde competentie (‘benutten van de rechterhelft/creativiteit/out of the box-denken’) duidt op de mentale lenigheid van het toelaten van andere categorieën, op reframing van vraagstukken. Omdat onze werkelijkheidsconstructie sociaal is en eerdere sociale interacties ons framen wordt reframing gefaciliteerd door de competentie om tegenspraak te organiseren. Relevante netwerken om aan deel te nemen zijn dus ook netwerken waarin tegenspraak ontstaat. Een sterke vorm van tegenspraak ontstaat waar diepere waarden (institutionele paradigma’s, inhoudelijke paradigma’s en in mindere mate instrumentele paradigma’s) ter discussie komen te staan. Dit is het vakgebied van kunstenaars, ethici, geestelijken, et cetera. Reflectie op waarden behoort tot hun signatuur. Betekenisgeving bestaat niet alleen uit het omschrijven van situaties in woorden/begrippen, maar deze dienen tevens als springplank voor actie. In deze actie ligt In ’t Velds aanbeveling voor flexibiliteit in termen van veerkracht besloten. Veerkracht die nodig is om te kunnen reageren op onvoorziene problemen of kansen, dat wil zeggen problemen of kansen die we nog niet hadden benoemd. Bovenstaande is onze interpretatie van wat In ’t Veld reflexief vermogen van alle betrokkenen noemt. Dat wil zeggen het verbeteren van toekomstige situaties door van eerder (onjuist of ineffectief) gedrag te leren. Dit is wat voor ons onderzoek (en dus ook toekomstverkenning) is: leren van de discrepantie tussen intentie en effect. Waarbij opgemerkt moet worden dat zowel intentie, effect als discrepantie sociaal geconstrueerd worden.
 
Dr. Erik de Vries is hoofddocent aan de Haagse Hogeschool. Hij doet het project ‘Strategische vaardigheden voor de informatieprofessional’ samen met de Academy for Information and Management en het Ngi. E-mail: e.j.devries@hhs.nl
Hans Hogeboom MBA, EMIM was divisiechef Recherche bij de (voormalige) politieregio Noord- en Oost-Gelderland. Gedurende 2012 was hij gedetacheerd bij het Bundeskriminalamt op de afdeling Vroegsignalering en Strategische Planning. Nu is hij gedetacheerd bij Instituut Clingendael, waar hij voor de Nederlandse politie onderzoekt of toekomstverkenningen van meerwaarde kunnen zijn bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit.
 
Referenties
Asselt, M.B.A. van, de Wilde, R. and Van der Pas, J.W.G.M. (2005). De toekomst begint vandaag: Literatuurstudie toekomstverkenning. Onderzoeksrapport in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Berger, P.L. en Luckmann, T. (1966). The Social Construction of Reality: a treatise in the sociology of knowledge. Garden City (NY): Doubleday.
Blumenfeld, Y. (1999). Scanning the Future, 20 eminent thinkers on the world of tomorrow. London: Thames.
Duin, P.A. van der, R. van Oirschot, H. Kotey en E. Vreeling (2008). Regeren is vooruitzien. Een exploratief onderzoek naar het gebruik van toekomstverkenningen in strategie-en beleidsprocessen. Amstelveen: Lenthe Publishers.
In ’t Veld, R. (2010). Kennisdemocratie, opkomend stormtij. SDU Uitgevers.
Pirsig, R.M. (1991). Lila: an inquiry into morals. New York: Bantam Books.
Rohrbeck, R. (2010). Harnassing a network of experts for competitive advantage: technology scouting in the ICT industry. R&D Management. Vol. 40, No. 2, pag. 169-180.
Sabatier, P.A. en H.C. Jenkens Smith (1993). Policy change and learning: an advocacy coalition approach. Boulder.
Twist, M. Van, M. van der Steen, M. Van der Vlist en R. Demkes (2009), Toekomstverkenning en Organisatieontwikkeling. Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.
Shell (2005). The Shell Global Scenarios to 2025.
Weick, K.E. (1995). Sensemaking in Organizations. Thousand Oaks / London: Sage Publications.
Weick, K.E. (2005). Organizing and the process of sense-making. Organization Science, Vol. 16, No. 4.
Wilde, R. de (2000). De Voorspellers, een kritiek op de toekomstindustrie. Amsterdam: Uitgeverij De Balie.

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag