Informatica als werk plaats voor innovatie

Innoveren moet je leren
Een snel veranderende wereld vraagt om innovatie en flexibiliteit. Aandacht daarvoor begint tijdens de opleiding. Innoveren moet je leren: het moet een gewoonte worden, en een onderdeel van de dagelijkse praktijk. Binnen de school is het vak Informatica hiervoor een zeer geschikte werkplaats. ICT-experts uit vervolgopleidingen én uit het bedrijfsleven kunnen daarbij een bijdrage leveren, op grond van hun kennis van de technologie en van organiseren met ICT, en van hun inzicht op het gebied van innovatieprocessen.
De wereld verandert in een steeds sneller tempo, onder meer gedreven door de innovatie in de ICT-wereld. De aard van het werk verandert: bedrijven verdwijnen, nieuwe bedrijven ontstaan. Beroepen verdwijnen, en maken plaats voor nieuwe beroepen die om heel andere vaardigheden vragen. Nieuwe kennis ontstaat, bestaande kennis wordt minder relevant. Het persoonlijk domein en het publieke domein veranderen. En, niet in het minst: de leerling en zijn omgeving veranderen. De ICT die vroeger voorbehouden was aan grote organisaties, dringt diep door in het dagelijks van de leerling – soms met de school als uitzondering.
Het doel van het onderwijs is om de leerlingen voor te bereiden op hun plek in de wereld, op hun toekomst. Als de wereld snel verandert, moet ook het onderwijs mee veranderen. Dit betreft in de eerste plaats de inhoud van het onderwijs. Daarnaast vraagt ook de vorm van het onderwijs om innovatie. In veel beroepen veranderen de technische middelen en de manier van werken. Ook daarop moet je de leerlingen voorbereiden. Waar de ICT-wereld voorop loopt in de snelheid van innoveren, blijft het onderwijs hierin sterk achter. De organisatie, de manier van werken, en de inhoud van het onderwijs veranderen zeer langzaam. Er zijn genoeg mogelijkheden om te innoveren, met de sterk verbeterde kennis over hersenen en leren, onderwijzen en organiseren, en met ICT als middel. Toch blijkt innoveren in het onderwijs zeer moeizaam, zoals onder andere Clayton Christensen concludeert in Disrupting Class. Wat inzicht in innoveren betreft heeft de ICT-wereld het onderwijs het nodige te bieden. Innoveren kun je leren. Je moet dan wel begrijpen wat innoveren betekent, en hoe je dit doet. En je moet een werkplaats hebben waar je hiermee aan de slag kunt gaan, om al doende te leren. Naar onze mening is het vak Informatica in het voortgezet onderwijs bij uitstek geschikt om als werkplaats voor innoveren te dienen.
Wat is innoveren?
Innoveren is meer dan het bedenken van een nieuw idee, of het invoeren van een nieuwe technologie. Onder innoveren verstaan we hier dat je een nieuw idee (invention) omzet in een bruikbaar product, dat daadwerkelijke gebruik wordt (market): Innovation = Invention x Market.
Naast het idee (kennis) gaat het om het ontwerpen en maken van het product, en om het aan de man brengen en het gebruiken daarvan. Dit product moet voor de gebruiker meerwaarde hebben. Deze meerwaarde kan liggen in de functionaliteit, maar ook in de vorm of in de timing: het moment dat dit product beschikbaar is. Het product kan hierbij overigens van alles zijn: in het bijzonder kan het ook gaan om een dienst.
Meestal is de eerste uitvoering van een nieuw idee nog vrij primitief. Denk bijvoorbeeld aan de eerste auto: een koets met daarin een elektromotor gemonteerd, ook wel omschreven als een koets zonder paard. Op basis van de feedback uit het maken en uit het daadwerkelijke gebruik pas je als innovator het product voortdurend aan: innoveren is een iteratief leerproces. De snelheid waarmee je dit iteratieve proces doorloopt bepaalt voor een groot deel de snelheid van innoveren. Je hebt daarbij ook voortdurend de medewerking van de gebruiker nodig: deze moet ook leren het product te gebruiken, en moet eventueel zijn manier van werken en zijn omgeving (infrastructuur) aanpassen.
Waarom innoveren?
Door te innoveren probeer je als aanbieder de waarde van het product voor de gebruiker te vergroten, of de kosten van het product te verlagen.
Je kunt hiermee een nieuwe markt aanboren, of je aandeel in een bestaande markt vergroten. (Voor een monopolist is innoveren minder van belang.) Uiteindelijk is het de gebruiker die bepaalt of het innoveren slaagt, en of het product de moeite
Het vak Informatica leent zich er bij uitstek voor om als werkplaats voor het innoveren in de school te fungeren.
waard is. Voor de gebruiker gaat het om meer dan alleen het product of de technologie.
Bij het product staat meestal de functionaliteit voorop. Maar ook de vorm kan van belang zijn. Een platte televisie heeft voor veel gebruikers een groot voordeel boven een diep toestel; een iets slechtere beeldkwaliteit nemen veel gebruikers daarbij voor lief. In de ICT-wereld speelt de vormgeving en de gebruikerservaring van apparaten en toepassingen die je regelmatig gebruikt, een grote rol.
Een andere reden voor innoveren is dat de wereld van de gebruiker verandert, waardoor deze andere eisen stelt aan het product.
Personalisatie en vraaggestuurd werken Bij innoveren gaat het om het afstemmen van het product op de wensen en behoeftes van de gebruiker. Het doel daarbij is om precies het juiste product, op precies het juiste moment (‘just in time’) te leveren, voor elke gebruiker.
In de automobielwereld is Henry Ford indertijd begonnen met een aanbodgestuurd bedrijfsmodel. Een klant kon elke kleur auto kiezen, als het maar zwart was. Dit werkt als de vraag veel groter is dan het aanbod. Klanten nemen dan genoegen met alles wat ze kunnen krijgen, ook al past het product niet precies bij hun behoefte.
Vooral Toyota heeft geïnnoveerd met een vraaggestuurd model. Dit heeft voor de gebruiker het voordeel dat hij precies het juiste product krijgt. Ook voor de producent heeft dit een groot voordeel: de verliezen door een slechte afstemming tussen vraag en aanbod zijn minimaal.
In de ICT-wereld vinden we personalisatie en vraaggestuurd werken op meerdere manieren terug. In de eerste plaats kan een gebruiker het product – bijvoorbeeld een smartphone – personaliseren door veel zaken zelf in te stellen, en door het installeren van apps. Door middel van appstores probeert de leverancier dit zo eenvoudig mogelijk te maken. Een tweede voorbeeld zijn de diensten die in de cloud aangeboden worden. Deze kan de gebruiker op elk moment aanpassen aan zijn behoefte. Daarbij betaalt hij alleen voor het daadwerkelijke gebruik. Dit is een extreme manier van vraaggestuurd werken.
Innoveren: hoe doe je dat?
Zoals gezegd is innoveren een iteratief leerproces, met een nauw samenspel tussen de maker (producent) en de gebruikers (markt). Als er geen gebruikers zijn, wordt innoveren al snel lastig: je hebt als maker de gebruikers nodig voor het financieren van nieuwe versies, en voor de feedback die zij geven over de bruikbaarheid en de waarde van de verschillende aspecten. Deze informatie van de gebruikers is erg belangrijk: soms worden softwareproducten gratis aangeboden om feedback over het daadwerkelijke gebruik te krijgen.
Leren door gebruikers
Zoals gezegd gaat het bij dit iteratieve proces van innoveren niet alleen om het product, maar ook om de gebruiker, om de manier van gebruiken, en om de omgeving van het gebruik. Niet alleen het leren van de producent is van belang: ook gebruikers moeten leren en zich aanpassen. Soms vraagt dit van de gebruiker een forse investering: om in een auto te mogen rijden, moet je wel een serieuze opleiding volgen, en je vaardigheid demonstreren. De aanbieder van een nieuw product heeft er baat bij als de gebruikers snel en soepel kunnen leren dit product te gebruiken. Het leren van de gebruiker kan één van de obstakels in het innovatieproces zijn. Als dit misgaat, heeft het product niet de beoogde waarde voor de gebruiker: dit is voor alle betrokkenen teleurstellend. Het leerproces stopt dan voor de gebruiker – en mogelijk ook voor de aanbieder.
In de ICT-wereld wordt geprobeerd om dit leerproces van de gebruiker soepel te laten verlopen. Je moet daarbij zowel rekening houden met de beginnende als met de gevorderde gebruiker. In sommige opzichten lijkt dit op een computergame: je wilt de beginnende speler op een ander niveau laten werken dan een gevorderde speler. Al spelenderwijs pas je het niveau aan, aan de vaardigheden van de speler.
Snelle iteraties
Om snel te innoveren, moet je de iteraties elkaar snel laten opvolgen. In de ICT-wereld is het soms mogelijk om dagelijks nieuwe varianten van het product aan te bieden aan de gebruikers. Dit is bijvoorbeeld mogelijk met webapps en met clouddiensten. In deze gevallen krijgt je als aanbieder bovendien inzicht in het daadwerkelijke gebruik. Op basis daarvan kan het product aangepast worden, mogelijk al de volgende dag.
Aanpassen van de processen en infrastructuur
Een product wordt gebruikt in een bepaalde omgeving, met een bepaald doel, op een bepaalde manier. Het invoeren van een nieuw product of een nieuwe technologie in een bepaalde omgeving betekent dat de processen en de infrastructuur aangepast moeten worden om te kunnen profiteren van de mogelijkheden die deze technologie biedt. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van de auto: je hebt een goede infrastructuur nodig, in de vorm van wegen, van brandstofvoorziening, en van garages.
In de wereld van de ICT is dit een bekend verschijnsel. De eerste fase van de invoering van computers in een organisatie betekende meestal het automatiseren van bestaande processen. Deze stap heeft maar een beperkte meerwaarde. In een later stadium, als de organisatie de mogelijkheden van de technologie beter begrijpt, worden de processen opnieuw ontworpen met het oog op deze mogelijkheden. Dit kan resulteren in een radicale reorganisatie, op basis van een fundamentele herbezinning op de doelen van de organisatie.
Risico's, mislukken en doorgaan
Innoveren brengt risico's met zich mee. Je probeert steeds wat nog niet eerder gedaan is, en dat kan mislukken. Daar leer je van: je weet steeds beter wat werkt en wat niet. Het is niet altijd verstandig om het risico op mislukken zo klein mogelijk te maken: dat beperkt je innovatieve mogelijkheden. Het is juist de kunst om de gevolgen van een mislukking binnen de perken te houden. Dit kan bijvoorbeeld door te zorgen voor een vangnet – door een vervangend product aan te bieden, door een snelle herkansing, of door te werken met een groep gebruikers die met een tijdelijke tegenslag weet om te gaan.
Als je begint met een nieuwe technologie maakt de selectie van de groep gebruikers (de markt) een groot verschil. Voor een technologie die nog in de kinderschoenen staat kun je je vaak beter richten op een groep gebruikers die met de bestaande producten niet goed bediend wordt, zoals Clayton Christensen beschrijft in zijn ‘Innovator’s Dilemma’. Hij geeft als voorbeeld de transistorradio: dit was één van de eerste succesvolle toepassingen van de transistor. Dit succes was te danken aan de doelgroep: jongeren die niet bediend werden door de radio in de huiskamer. Voor deze jongeren was de transistorradio een grote stap vooruit, ook al was de kwaliteit van het geluid veel minder dan dat van de huiskamerradio.
In de wereld van de webtoepassingen kun je het risico van innoveren beperken door kleine stappen te maken, en door snel te corrigeren als er iets misgaat. Je brengt zo mogelijk nog dezelfde dag een nieuwe versie uit, desnoods de werkende versie van de vorige dag.
Informatica als werkplaats
Innoveren in het onderwijs is, zoals eerder gesteld, buitengewoon lastig. Soms wordt een topdownaanpak geprobeerd: in bijna alle gevallen is dit een recept voor mislukking. Ook heeft innoveren in het onderwijs vaak de vorm van een project. Daarbij is meestal geen sprake van een iteratief leerproces. Ook verdwijnt na afloop van het project vaak een groot deel van de kennis. Beter lijkt het om, met steun vanuit de leiding van de school, een continu bottom-upproces van innoveren in gang te zetten. In principe kan elke school die dat wil hiermee aan de slag. Een school kan zich als doel stellen om een lerende organisatie te worden, waarin innoveren een integraal onderdeel is van de dagelijkse praktijk. Zoals we hieronder zullen beschrijven, leent het vak Informatica zich er bij uitstek voor om als werkplaats voor het innoveren in de school te fungeren.
Je kunt een dergelijk proces per school opzetten. Als het kan, is het beter om dit met een aantal scholen samen te doen, in een netwerk. Je kunt dan van elkaar leren. Het is ook eenvoudiger om vanuit een netwerk externe contacten te leggen, bijvoorbeeld met vervolgopleidingen en met bedrijven.
Op een bepaald moment komt mogelijk het inzicht dat het nodig is om op een landelijk niveau het hele onderwijs te herzien, in het licht van de sterk veranderende wereld. Dit verloopt waarschijnlijk een stuk soepeler als scholen eerst bekend zijn met het proces van innoveren. Het vak Informatica lijkt, zoals gezegd, bij uitstek geschikt als werkplaats voor innoveren in de school. Hiervoor zijn de volgende argumenten te noemen:
• Innoveren met nieuwe technologie en met een nieuwe aanpak doe je bij voorkeur op een plek waar de leerlingen onvoldoende bediend worden. Op lang niet alle scholen wordt het vak Informatica aangeboden; en op de scholen waar dit vak aangeboden wordt, is het aanbod vaak bepaald door de logischerwijs beperkte expertise van de docent. Door samen te werken met experts uit vervolgopleidingen en bedrijfsleven, en door het inzetten van nieuwe technologie, kun je deze situatie sterk verbeteren.
• Innoveren heeft altijd een zeker risico. Je kunt de gevolgen van mislukken beperken door te werken met leerlingen en docenten die begrijpen dat niet alles de eerste keer werkt. Op basis van de praktische ervaring, bijvoorbeeld met programmeren, hebben veel informaticadocenten en leerlingen een dergelijke houding ontwikkeld. Bovendien kent Informatica geen centraal schriftelijk examen: dit beperkt het risico voor leerlingen, voor de docenten en voor de school.
• Veel van de aspecten waarin innoveren in het onderwijs nodig is, zoals creativiteit, ontwerpen, maken, projectmatig werken, en samenwerken, komen bij het vak Informatica vanzelfsprekend aan bod.
• De verschillen tussen de leerlingen zijn bij het vak Informatica erg groot: sommige leerlingen zijn al vanaf het begin van de basisschool bezig met computers en programmeren; andere leerlingen zijn nog volstrekte beginners. Dit betekent dat personalisatie van het onderwijs bij het vak Informatica een absolute eis is. Veel informaticadocenten hebben inmiddels geleerd hiermee om te gaan. Ook ICT kan daarbij als middel goede diensten bewijzen.
• Bij het innoveren in het onderwijs speelt ICT een essentiële rol, als middel en als doel. De informaticadocent heeft binnen de school hierin de meeste expertise, soms aangevuld door die van zijn leerlingen. Bovendien heeft deze docent eenvoudig toegang tot een netwerk van experts, vervolgopleidingen en bedrijven die op dit gebied graag willen meedenken. Deze experts hebben niet alleen kennis van de technologie, maar vaak ook van innoveren en veranderen.
• Als je wilt inspelen op de verschillen tussen de leerlingen, kun je het zo organiseren dat eenzelfde onderdeel gedurende een schooljaar herhaaldelijk aangeboden wordt. Dit betekent dat je veel meer innovatie-iteraties met dit onderdeel kunt doen dan de jaarlijkse iteratie die normaal is in het onderwijs.
• Informatica is een zeer breed vak. Onderwerpen en problemen uit andere vakken kunnen op een vanzelfsprekende manier binnen het vak aan de orde komen. Docenten van andere vakken kunnen binnen het vak Informatica onderwijs uitwerken zonder dat hun eigen vakgerichte programma in de knel komt. Informaticaleerlingen kunnen deze docenten ondersteunen, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een ‘app’.
Conclusie
Innoveren moet je leren: het moet een gewoonte worden en een onderdeel van de dagelijkse praktijk. Binnen de school is het vak Informatica hiervoor een zeer geschikte werkplaats. Ook docenten van andere vakken kunnen daarvan gebruik maken, zonder dat hun eigen vak in het gedrang komt.
Op termijn zal het nodig zijn om de ‘architectuur’ van het onderwijs te herzien. Ervaring met innoveren in de school is daarvoor een belangrijke eerste stap. ICT-experts uit vervolgopleidingen en bedrijfsleven kunnen daarbij een bijdrage leveren, op grond van hun kennis van de technologie en van organiseren met ICT, en van hun inzicht op het gebied van innovatieprocessen.
Eelco Dijkstra (eelco@infvo.com) Its Academy/ Bètapartners Amsterdam
Bètapartners is het netwerk van de vier hogeronderwijsinstellingen VU, UvA, HvA, Inholland en 38 scholen voor voortgezet onderwijs in de provincie Noord-Holland en Flevoland, het Gooi en in en om Amsterdam. Zij hebben de handen ineen geslagen om de keuze van havo- en vwo-leerlingen voor bèta- en technische studies aantrekkelijker te maken en het onderwijs in deze vakken te verbeteren. Het netwerk heeft zich ontwikkeld tot een platform voor kennisdeling en kennisontwikkeling en een proces- en projectmotor voor innovatie en kwaliteit in het voortgezet onderwijs.
Literatuur
Christensen, Clayton (1997). The Innovator’s Dilemma. Cambridge Mass. Christensen, Clayton (2008). Disrupting Class. New York.

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag