Netwerk Open Hogeschool Informatica

Netwerk Open Hogeschool Informatica
In 2008 namen vijf hoger onderwijsinstellingen (Open Universiteit, Haagse Hogeschool, Fontys Hogescholen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en de Hanzehogeschool Groningen) het initiatief om samen een nieuwe vorm van deeltijdonderwijs aan te bieden aan iedereen die denkt de opleiding aan te kunnen. Het achterliggende motief is dat de instroom op de bestaande deeltijd- en voltijdopleidingen achterblijft om in de groeiende behoefte van hbo-geschoolde ICT’ers te kunnen voorzien. Gemikt wordt op de groep van (ICT-)medewerkers op mbo-niveau 3 en 4 die via deze opleiding een carrièrestap willen maken. Gelet op de tijdgeest en doelgroep is een betere afstemming op de combinatie van studie, werk en privéleven dringend gewenst. Deze wens wordt ondersteund door een modulaire opbouw van het curriculum, maatwerk door de integratie leren op school en leren op de werkplek, plaatsen tijdonafhankelijkheid. De partners zijn zo gekozen dat een landelijk dekkend netwerk ontstaat. De licentie voor de opleiding berust bij de Open Universiteit. Vanuit het netwerk van instellingen en de open toegang die Open Universiteit kent is de naam ‘Netwerk Open Hogeschool’ ontstaan met als toepassingsgebied Informatica ofwel NOH-I. Op termijn wordt de deelname van meer instituten niet uitgesloten. De ambitie is dat de NOH-I een digitaal gebaseerd onderwijs-, samenwerkingsen coachingsplatform wordt, gebaseerd op het principe van ‘blended learning’. Daarnaast stelt de NOH-I zich ten doel om Open Eductional Resources te ontwikkelen en te gebruiken.
Ontwerpaspecten
Naast de normale institutionele voorzieningen zoals een studentenadministratie en een examencommissie zetten vooral twee afwijkende voorzieningen de toon binnen de NOH-I. De eerste voorziening is het beoogde platform voor samenwerking tussen docenten en ontwikkelaars dat gezien hun landelijk gespreide werkplekken aandacht behoeft en de tweede voorziening is die voor eigentijds studeren bij de NOH-I voor studenten. De opleiding is gestart in september 2011. In dit artikel beschrijven we wat er na het eerste jaar van exploitatie is gerealiseerd, eerst ten behoeve van de samenwerking en daarna voor wat betreft de voorzieningen voor de studenten.
Curriculum NOH-I
De opleiding is vormgegeven op basis van de HBO-I domeinbeschrijving ‘Bachelor of ICT’1
en omvat 240 studiepunten (ec). De opleiding is onderverdeeld in acht thema’s van elk 30 studiepunten. Hiervan beslaan vier thema’s de basisvorming vanwaaruit een student voor een
van de twee specialisaties kan kiezen die ook elk uit vier thema’s bestaan. In elk thema, zover het geen stage of afstuderen betreft, wordt veertig procent van de tijd besteed aan theorie, vijftig procent aan het toepassen van deze theorie en tien procent aan het verbeteren van persoonlijke vaardigheden geïntegreerd in de toepassingen zoals adviseren, rapporteren, presenteren, onderzoeken, enzovoort. Figuur 1 toont de volgorde van de thema’s. Elk thema beslaat een semester van twintig lesweken en is tijdgebonden. De opleiding kent twee startmomenten per jaar: september en februari. Dan bieden we in elk geval het thema Informatiesystemen aan. Alle andere thema’s bieden we één keer per jaar, behalve stages en afstuderen. Vanwege de modulaire opbouw van de opleiding kan een student na het volgen van een thema stoppen met de opleiding om eventueel op een later tijdstip verder te studeren. Los bestuderen van afzonderlijke thema’s is dus mogelijk.
Figuur 1. De NOH-I opleidingen onderverdeeld in thema's en semesters
 
Ontwikkeling leerstof en leermiddelen
Ten opzichte van de gebruikelijke werkwijze bij de Open Universiteit is het opmerkelijk dat de ontwikkeling van de leerstof kort voor de instroom van studenten is gestart. Deze keuze maakte een snelle start van de NOH-I mogelijk. Wel hebben we voorzien in een onmiddellijke actualisatie van een thema nadat dit thema door studenten/docenten in een eerste run is doorlopen. In dit proces is het inmiddels gebruikelijk geworden om de ontwikkelaars ten minste de eerste run van een thema te laten doceren. Hierdoor vangen we eventuele onvolkomenheden tijdens de exploitatie gemakkelijker op. Belangrijker is echter dat we ontwikkeling en exploitatie dichter bij elkaar brengen, waardoor we eventuele onuitvoerbare keuzes gemaakt tijdens de ontwikkelfase vermijden. Deze keuze voor een snelle start legt wel een behoorlijke druk op de ontwikkelteams van de deelnemende instellingen om tijdig leerstof te leveren. Deze druk wordt verzacht doordat we zoveel mogelijk gebruik maken van beschikbare leerstof en voorzieningen van de deelnemende instellingen.
De druk zouden we verder kunnen temperen door het gebruik van Open Educational Resources (OER). Het aanvankelijk grote optimisme over de toepassing hiervan is echter in de loop van de ontwikkeling behoorlijk ingezakt doordat onderdelen van de leerstof niet te vinden waren of elkaar overlapten. Ook de verschillende stijlen waarin OER wordt aangeboden, leidt tot een divers geheel waarin de identiteit van de NOH-I moeilijk is te herkennen (consistentie en huisstijlproblematiek). Met deze observatie verviel het veronderstelde efficiëntievoordeel van OER.
Wel is het de bedoeling, in het kader van ‘halen en brengen’, om al het geproduceerde materiaal van de NOH-I te zijner tijd als OER ter beschikking te stellen voor zover niet beschermd door mogelijke auteursrechtelijke bepalingen.
Samenwerking
Een grote uitdaging voor de NOH-I ligt in het feit dat vijf verschillende instellingen met elk hun eigen cultuur en opvatting over de inhoud van een vakgebied in korte tijd tot één product moeten zien te komen. De hiervoor noodzakelijke cultuuromslag heeft in grote mate te maken met de transitie van contactonderwijs naar vormen van ‘blended learning’, waarin afstandsonderwijs en ICT componenten zijn. Dit is zeker voor de hogescholen een nieuwe uitdaging, en dat geldt voor zowel docenten/ontwikkelaars als studenten. Het samenwerkverband zorgt naast de gezamenlijke ontwikkeling van de leermaterialen ook voor scholing van de docenten/ontwikkelaars om de transitie mogelijk te maken. Ter ondersteuning van deze samenwerking heeft de NOH-I een samenwerksite of community ingericht, bestaande uit een website en een conference system voor online overleg.
Figuur 2 en 3 tonen enkele screenshots van deze samenwerkomgeving. De samenwerkomgeving is technisch ingevuld met Moodle, een Open Source elektronische leeromgeving, terwijl voor het conference systeem Elluminate is gekozen als communicatie- en overlegtool. Elluminate is een besloten product omdat in de Open Source-wereld zo’n product niet voorhanden is. Beide systemen worden ook toegepast bij het onderwijsproces (waarover later meer). Het voordeel van het toepassen van dezelfde tools bij zowel de ontwikkeling van materialen als bij het onderwijs is dat het tegelijkertijd een leerschool is voor de ontwikkelaars voor de toepassing van deze systemen binnen een onderwijscontext.
Figuur 2. Uitsnede uit de samenwerkomgeving voor ontwikkelaars/docenten (Moodle)
Figuur 3. Uitsnede uit bijbehorend conference system (Elluminate)

Figuur 2 toont een deel van de samenwerkomgeving die is samengesteld op basis van de behoeften van ontwikkelaars. De omgeving bevat een reeks verwijzingen naar onderliggende onderwerpen. Bovenin de pagina staat de verwijzing naar:
• De scholingsproducten voor ontwikkelaars en docenten. Deze producten zijn in de regel handleidingen, instructies en instructiefilmpjes over het gebruik van Moodle en Elluminate.
• De NOH-I-organisatie, toegankelijk voor gas ten, over de organisatie van de NOH-I zelf.
• De thema’s die we ontwikkelen. Elk thema beschikt over een eigen ruimte met daarin de ontwikkelde materialen en ook weer de mogelijkheden voor online overleg. NOH-I-organisatie bevat de informatie die ook voor gasten toegankelijk is (www.comm.noh-i.nl).
• Het projectarchief dat de beleidsdocumenten bevat die ten grondslag liggen aan de NOH-I.
Figuur 3 toont een fragment van het conference system Elluminate. Linksboven staat de lijst van deelnemers, daaronder een chatkanaal en linksonder de bediening van de audio. Rechts staat het whiteboard waarop als voorbeeld een document wordt gedeeld. Op dit whiteboard kunnen powerpoints rechtstreeks worden getoond; het kan ook gewoon als schoolbord worden gebruikt. In de ontwikkelomgeving kan een ontwikkelaar de gemaakte producten tonen, demonstreren of toelichten. Voor de onderlinge audiocommunicatie zijn maximaal zes microfoons beschikbaar. De sessie kan worden opgenomen en als zodanig dienen als naslagmateriaal voor de ontwikkelaars, maar ook als middel om een instructiefilmpje te maken. De zo gecreëerde samenwerkomgeving binnen de NOH-I biedt volgens ons een goed platform voor de docenten om samen onderwijsmateriaal te ontwikkelen, een van de uitdagingen van de NOH-I. Docenten bevinden zich vaak op een eiland en er is behoefte aan reflectie op vakdidactiek en inhoud van het gedoceerde vakgebied. De ervaringen binnen de NOH-I zijn dan ook zeer positief. Docenten vinden het heel plezierig en een verrijking om op deze wijze onderwijsmateriaal te ontwikkelen. Een verdere uitbouw naar web 2.0 voorzieningen (wiki’s) ligt voor de hand, maar daar moeten de gebruikers ook aan toe zijn!
Blended learning
Blended learning is een van de speerpunten van de NOH-I. Wat is blended learning? Niet alleen gaat het hier om een combinatie van afstandsleren (tegenwoordig meestal in de vorm van e-learning) en traditioneel onderwijs, maar ook om een combinatie van onderwijsgevenden en -middelen waarbij de student centraal staat. Afstemming op de privésituatie van een student vertaalt zich in een meer uitgebreide definitie van het begrip blended learning. In figuur 4 hebben we dit concept in detail weergegeven. Figuur 4 toont het ambitieniveau van de NOH-I voor wat betreft blended learning. In rood staan de componenten die op dit moment zijn gerealiseerd, de andere componenten staan nog open. Voor de korte termijn staan de integratie van de werkomgeving en werkgever in de opleiding centraal. Bij de traditionele definitie van het concept van blended learning is er vooral sprake van de combinatie van face to face (f2f) en online bijeenkomsten, zelfstudie en groepswerk. Dit is op dit moment het verst uitgewerkt bij de NOH-I.
Figuur 4. Componenten van blended learning binnen NOH-I 2, 3
 
Elk thema is onderverdeeld in modules (figuur 5) met een tweewekelijks ritme van voorbereiding bedoeld om de student te motiveren en te activeren. In dit deel bereidt de student in de vorm van zelfstudie een deel van de theorie voor die we nadien in een f2f-bijeenkomst nader uitleggen. In de verwerkingsfase passen we de theorie toe op een taak uit de beroepspraktijk. De verwerking begeleiden we vanuit een online bijeenkomst (virtuele klas).
Figuur 5. Tweewekelijkse ritme van voorbereiden, bijeenkomen en verwerken2,3
 
Met dit ritme vindt er dus eens per week een bijeenkomst plaats, vrijwel altijd in de avonduren. Dit ritme blijkt erg belangrijk bij het ondersteunen van het studieritme van een student. Het maakt de afronding van een thema binnen de gestelde termijn van twintig lesweken kansrijk. Bij de start van de module is er ruimte om de module binnen het thema te introduceren en een omschrijving te geven van de te behalen competenties en de in te leveren beroepsproducten. Aan het slot is er de mogelijkheid voor reflectie op en toetsing van de module. Aanvankelijk verdeelden we een thema in modules met een tweewekelijks ritme, waarbij een module een samenhangend onderdeel is van een thema. Afhankelijk van het onderwerp bleken in de praktijk grotere modules soms handzamer te zijn. De maximale lengte van een module beperken we wel, tot vier weken. Het werken met modules samen met het didactisch model uit figuur 5 maakt het studietraject overzichtelijk en planbaar voor de student. Dit noemen we de mijlpalengedachte. Elektronische Leer Omgeving
Een vergelijking van het aantal contacturen en de totale studielast van een thema leidt tot de conclusie dat de student grotendeels zelfstandig thuis of op de werkplek studeert. De ervaring bij de Open Universiteit leert dat dit onderwijsmodel hoge eisen stelt aan de zelfdiscipline van een student, die op dit punt dan ook zoveel mogelijk moet worden ondersteund. Naast het concept van blended learning, online bijeenkomsten en het ingebouwde ritme van een module, is ondersteuning van het zelfstandig studeren een van de belangrijkste ontwerpcriteria van de Elektronische Leer Omgeving (ELO). Deze ELO moet kortom voorzien in:
• Een aanduiding van de structuur van de leerstof zodat de student de voortgang van zijn studie in de leerstof kan bepalen.
• Instructies aan de student over wat hij moet bestuderen, aan producten moet opleveren, welke competenties er behaald worden en hoe deze worden beoordeeld.
• Ondersteuning voor online bijeenkomsten, eventueel uitgebreid met voorzieningen waarbij studenten op afroep online in teams kunnen samenwerken en communityvorming kan ontstaan.
• (a-) Synchrone communicatiekanalen naar docent(en) en medestudenten, zowel binnen de instelling als tussen de instellingen; in het geval van asynchrone communicatie met een attenderingsfunctie naar de deelnemers.
• Het bieden van inzicht door studenten en docenten en derden (accreditatie) in de behaalde studieresultaten en -producten in de opleiding.
• De mogelijkheid om algemene en instellingsgebonden informatie aan te bieden aan de bij de NOH-I betrokkenen.
• Uniformiteit in de vormgeving van de themapagina’s om de invulling door ontwikkelaars en de navigatie door studenten binnen de ELO te vereenvoudigen.
• Gereguleerde toegang tot studievoorzieningen als bibliotheek, simulatoren, beschikbare software en remote labs.
Elektronische werkplek in de ELO
Openbare en algemene informatie over de NOH-I geven we op www.noh-i.nl. Vandaaruit is een persoonsgebonden, besloten toegang naar ‘Mijn NOH-I’ als werkplek beschikbaar. De werkplek is de plaats waar we alle beschikbare thema’s en faciliteiten voor een NOH-I betrokkene hebben gegroepeerd.
Figuur 6. Uitsnede werkplek
 
Figuur 6 geeft een uitsnede van zo’n werkplek. Vanaf de werkplek wordt binnen NOH-I een consequente pagina-indeling aangehouden met in het linkerpaneel de navigatie en ondersteunende voorzieningen en in het rechterpaneel de inhoud horend bij een gekozen voorziening. In het linkerpaneel staan achtereenvolgens in ‘My courses’ de thema’s opgesomd waar deze student toegang tot heeft. In het blok ‘Calendar’ kan de student belangrijke gebeurtenissen of afspraken vastleggen en in het blok linksonder staan de overige faciliteiten, bijvoorbeeld de link naar de bibliotheek. In de thema’s zelf wordt naar specifieke faciliteiten verwezen, bijvoorbeeld de verwijzing naar een remote netwerklab voor de thema’s IT-infrastructuur en IT-servicemanagement. Op het inhoudspaneel staat onder andere de helpdesk en het NOH-I vrijstellingentraject. Binnen NOH-I heet het traject vrijstellingen AVC: Assessment van Verworven Competenties.
ELO voor een thema
Na de keuze voor een thema komt de student eerst op de startpagina van een thema. Deze pagina bevat onder andere de navigatie naar de modules (figuur 7) waaruit een thema is samengesteld. Het inhoudspaneel bevat de start van een module: een introductie op het thema, de tijdsplanning van de modules, veronderstelde voorkennis, de te behalen competenties, de literatuurlijst en algemene studeeraanwijzingen bij dit thema. Een belangrijk aspect van het inhoudspaneel op deze pagina is het ‘lokale gedeelte’. Hier kan per locatie, een deelnemende hogeschool, informatie worden opgenomen die relevant en uitsluitend zichtbaar is voor de studenten die bij die locatie horen. Op die manier kan elke deelnemende hogeschool zijn eigen groep studenten van specifieke informatie voorzien. Voorbeelden van zulke informatie zijn lokale roosters, gegevens van de docent die het thema op een locatie verzorgt, opnames van de online klas in Elluminate, enzovoort.
Figuur 7. Uitsnede uit de startpagina van een thema
 
Vanuit de startpagina navigeert de student naar de kleinste onderwijseenheid in een thema: de module. In de module hebben we de voorzieningen aangebracht om de noodzakelijke studiediscipline te ondersteunen, met handhaving van de studievrijheid van studeren in eigen tempo. Alleen de bijeenkomsten liggen om praktische redenen vast in de tijd, maar verder is de student vrij om zijn of haar studieactiviteiten volgens het model van figuur 5 in te delen. Ook de pagina voor een module begint op het inhoudspaneel met een introductie om de module in het gehele thema te positioneren. Maar verreweg het belangrijkste instrument om de studiediscipline te ondersteunen is de zogenaamde accordion. De accordion, een bouwsteen van Moodle, bestaat uit een reeks van uitklapbare velden waarin per veld de studieactiviteiten worden beschreven (figuur 8).
 
Figuur 8. Pagina-uitsnede van een module met daarin de uitgeklapte accordion
 
 
In de accordion vinden we weer de elementen uit het didactisch model terug zoals voorbereiding, online- of f2f-bijeenkomst en verwerking. De inhoud van de accordion bevat instructies die leidend zijn voor de zelfstudie van de student. Het gehanteerde tijdschema is wekelijks zodat de student zelf voor de betrokken week een studieplanning kan maken. De nummering van de weken in de module komt overeen met de weeknummers van het thema. Hiermee wordt de boodschap overgebracht dat het doorlopen van het thema tijdgebonden is. Ervaring tot nog toe binnen NOH-I leert dat deze indeling voldoende structuur biedt om het studietempo vast te houden. Bij een diepere structurering, bijvoorbeeld dagelijks zoals eerder is uitgeprobeerd, voelt de student zich beknot; en een ruimere structuur leidt tot te veel vrijblijvendheid. Vanuit de NOH-I zelf is uniformiteit van de ELO een dwingende eis. Om dit te ondersteunen zetten we voor elk ontwikkelteam een basismodel van de ELO klaar met daarin aanwijzingen voor het ontwikkelteam over hoe de ELO te vullen.
 
Figuur 9. Uitsnede van het basismodel met daarin aanwijzingen voor het ontwikkelteam.
 
Figuur 9 toont hiervan een voorbeeld. De kunst bij het ontwikkelen van dit basismodel is de juiste afweging te maken tussen het belang van een vaste structuur en de ruimte die een ontwikkelteam nodig heeft om een thema binnen de ELO vorm te geven. Hiervoor zijn geen strikte richtlijnen te geven, maar de ervaring tot nu toe is dat de ontwikkelaars van dit basismodel hierin zijn geslaagd. Voor de online bijeenkomsten ten slotte wordt in het lokale gedeelte van een thema een link opgenomen naar de virtuele klas. Qua functionaliteit en uitstraling is deze klas dezelfde als die de ontwikkelaars voor hun overleg gebruiken (figuur 3) , maar nu zijn studenten en docenten van een locatie de deelnemers. Hier doet zich het voordeel gelden dat de ontwikkelaars/docenten bij de ontwikkeling van een thema eerder met deze tool hebben gewerkt – iets wat niet vanzelfsprekend is voor docenten die tot voor kort uitsluitend contactonderwijs hebben verzorgd. Wel is de aard van het onderwijs via een virtuele klas anders dan bij een f2f-klas, vooral door het ontbreken van de ‘lichaamstaal’ van de studenten. Er moet specifiek aandacht worden besteed aan de tijdplanning in de klas, de overdracht gaat langzamer, er moeten werkvormen worden ontwikkeld om studenten te activeren in de klas en er moet didactiek worden ontwikkeld op basis van de geboden functionaliteit van de virtuele klas. Met andere woorden: hoe houd je de student bij de les? De ontwikkeling van deze onderdelen van het gebruik van de klas staat nog maar aan het begin. Studenten blijken het gebruik van de virtuele klas gemakkelijk te leren. Wellicht komt dat doordat de virtuele klas de uitstraling heeft van een fysieke klas, waardoor de functies en de sociale codes die hierbij horen voor de studenten duidelijk zijn. De modellering van de klas verleidt echter tot een docentgecentreerde werkvorm, wat maar één van de mogelijke werkvormen binnen zo’n klas is. In het kader van het betrekken van werkgevers bij de NOH-I is het mogelijk om via de virtuele klas een gastdocent uit het bedrijfsleven een college te laten verzorgen die gelijktijdig naar alle betrokken studenten bij een thema wordt uitgezonden. Ook gebruiken we de virtuele klas om een standaardprocedure voor bijvoorbeeld de toegang tot het remote netwerklab zoals gebruikt bij het thema IT-infrastructuur op te nemen. Hierdoor krijgen de studenten zowel in beeld als op schrift de procedure getoond.
Open inschrijving met eisen
Doordat de opleiding die de NOH-I aanbiedt onder de licentie van de Open Universiteit valt, kan iedereen van 18 jaar en ouder instromen in de opleiding. In de praktijk wil een kandidaat enige zekerheid hebben of de opleiding succesvol kan worden afgesloten. Andere kandidaten willen weten of in de praktijk geleverde prestaties of eerdere opleidingen kunnen leiden tot een vrijstelling op onderdelen van de opleiding. Voor dit doel is een online quickscaninstrument ontwikkeld waarmee een kandidaat een eerste indruk kan krijgen of de opleiding voor hem of haar geschikt is. Zo ja, dan kan de kandidaat een voor de toelating verplicht intakegesprek aanvragen. In dit gesprek komt naast de geschiktheid voor de opleiding ook aan de orde wat mogelijke vrijstellingen binnen de opleiding zijn. Uit het intakegesprek kan ook een dringend advies komen om de opleiding niet te volgen. Op grond van de eerder genoemde licentiebepaling kan een kandidaat dit advies naast zich neerleggen. De ervaringen met het intakegesprek zijn overwegend positief. Kandidaten geven aan dat ze een goed beeld krijgen van de opleiding en hun eigen mogelijkheden. Docenten merken dat er een goede correlatie is tussen hun beeld van de student en de conclusies die uit het intakegesprek volgden. Dringende adviezen worden in de regel opgevolgd, zodat het instrument een goede filtering verzorgt. Blijken er tijdens het intakegesprek mogelijkheden te zijn voor een (gedeeltelijke) vrijstelling van thema’s, dan nodigen we de kandidaat uit om een digitaal portfolio te vullen met gegevens van eerdere opleidingen of in de praktijk gemaakte beroepsproducten en de bewijsstukken hiervoor die voldoen aan de prestatie-indicatoren van het vrij te stellen thema. Deze prestatie-indicatoren zijn geformuleerd op grond van te bereiken competenties binnen een thema. Ook de beroepsproducten die de studenten van een thema zelf produceren onderwerpen we uiteraard aan deze prestatie-indicatoren. Op deze manier ontstaat een traject voor Assessment van Verworven Competenties (AVC), waardoor een kandidaat met voldoende praktijkervaring vrijstelling kan krijgen dan wel in overleg met de docenten een afwijkende leerroute door een thema kan volgen dat tot een gelijkwaardig portfolio leidt. AVC is een vrij omvangrijk individueel traject waarbij een zorgvuldige afweging wordt gemaakt voor wat betreft te verlenen vrijstellingen. In de praktijk kiezen slechts zeer weinig kandidaten voor het AVC-traject. In de evaluaties geven de kandidaten aan dat ze liever het thema bestuderen om hiermee het studieritme te behouden dan wel te verwerven. Eventuele verlichting van de studielast (een belangrijk motief voor AVC) dient zich dan vanzelf wel aan wanneer er praktijkervaring aanwezig is. Ook vinden kandidaten het lastig om de juiste bewijsstukken in de eigen beroepspraktijk te verzamelen (deels door mogelijke vertrouwelijkheid hiervan) en vervolgens daarin de eigen rol overtuigend aan te tonen.
Conclusie en vooruitblik
Binnen de NOH-I hebben we een begin gerealiseerd van blended learning zoals geschetst in figuur 4 , maar we hebben nog niet alle doelstellingen gerealiseerd. Er is een hechte vorm van samenwerking tussen docenten ontstaan, waarbij is gebleken dat cultuurverschillen en opvattingen niet zo makkelijk overbrugbaar zijn als op het eerste gezicht wordt gedacht. De overgang van contactonderwijs naar blended learning blijkt ook voor ontwikkelaars en docenten een onverwacht grote stap te zijn, vooral door de toepassing en invulling van de hier gebruikte media en de bijbehorende werkwijzen. Hiervoor is aanvullende scholing nodig. Ook het gebruik van Open Educational Resources bleef tot nu toe achter bij de verwachting. Er ligt echter een goede basis voor het verder uitbouwen van het onderwijs binnen NOH-I. Op de korte termijn gaat onze aandacht vooral uit naar behoud van wat al is gerealiseerd. Verbeteringen zullen zich concentreren op de integratie van werkomgeving en werkgevers in de ontwikkelings- en leertrajecten. Aanvullingen in de sfeer van Web 2.0 op de ELO en de inzet van Open Educational Resources vergen naar verwachting meer inspanning. De vernieuwende aanvullingen die op de middelbare termijn haalbaar zijn 4:
• De ELO meer open maken zodat studenten keuzevrijheid hebben bij het gebruiken van leermateriaal (ook integratie externe bronnen en externe platforms) en de manier van samenwerken.
• Assessment van verworven competenties: versterking van de mogelijkheden om al verworven competenties in het onderwijs in te brengen; gedeeltelijk in het onderwijsproces zelf maar gedeeltelijk ook als compensatie voor onderdelen van het reguliere onderwijs.
• Open Educational Resources: toename van het aantal OER-publicaties in Wikiwijs5.
• Community: vormen van een stevig netwerk ter bevordering van nog meer samenwerking van ontwikkelaars en docenten over de locaties en thema’s heen met als doel de opleiding inhoudelijk en didactisch verder te brengen.
• Actualisatie thema’s: meer actuele thema’s en authentieke taken door werkgevers en werkplekken bij de (door)ontwikkeling van het thema te betrekken.
• Meer onderzoeksaspecten integreren in de opleiding op grond van ontwikkelingen in deze in het hbo-onderwijs.
 
Koos Baas is universitair docent bij de faculteit Informatica van de Open Universiteit en docent bij de NOH-I. Reacties op dit artikel kunnen gestuurd worden naar: koos.baas@ou.nl.
Karel Lemmen is universitair hoofddocent bij de faculteit Informatica van de Open Universiteit en opleidingsdirecteur van de NOH-I opleiding. Reacties op dit artikel kunnen gestuurd worden naar: karel.lemmen@ou.nl
 
Referenties
(1) HBO-I stichting. ‘Bachelor of ICT, domeinbeschrij-ving’. ISBN 978-90-814684-1-1, © 2009
(2) Lemmen, K. ‘NOH-I: een opleiding onder architec-tuur’. In Onderwijsinnovatie december 2012
(3) Verjans, S. Blended Learning: waarom, hoe en wat?
http://dspace.ou.nl/handle/1820/3306, © 2011
(4) Eggink, J & Mofers, F. ‘Een infrastructuur voor open en flexibel onderwijs’. In OnderwijsInnovatie, september 2012 (5) In opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap realiseren Kennisnet en de Open Universiteit ‘Wikiwijs’ om het gebruik en de ontwikkeling van open leermiddelen in het onderwijs te stimuleren én te vergemakkelijken. Wikiwijs is in Nederland een plek op internet waar iedere docent leermateriaal kan vinden, gebruiken en aanpassen, van basis-tot universitair onderwijs.

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag