Niet door de overheid bekostigde ICT-hogescholen in Nederland: een toekomstperspectief

Niet door de overheid bekostigde ICT-hogescholen in Nederland: een toekomstperspectief

 

Het gezamenlijk ontwikkelen van kernexamens voor de basisbeginselen van het ICT-vak zou een enorme stap voorwaarts betekenen. Voor herkenning van de ICT-professional is een eenvoudige(r) uitleg van de nationale en internationale leerplannen binnen de Nederlandse en Europese kwalificatiekaders nodig. Een herkenbare examinering en een bijbehorend landelijk register kunnen hiertoe bijdragen.

Sinds AMBI niet meer bestaat, ontbreekt het de Nederlandse ICT-sector aan een richtinggevend, onafhankelijk en landelijk exameninstituut voor informatici. Het is voor studenten en werkgevers lastig om het ondoorzichtige onderwijsaanbod, de kwaliteit daarvan en de toegevoegde waarde te doorgronden. Daarom is het van belang dat niet-bekostigde NVAO-geaccrediteerde ICT-hogescholen landelijk gecoördineerde examens en een landelijk platform voor leerplanontwikkeling creëren.
In het inleidende artikel van dit themanummer benadrukken Wijnand Westerveld en prof. Theo Mulder het historische belang van AMBI als dé opleiding in Nederland op (bijna-) hbo-niveau om een goede carrière te maken in de ICT-sector. Sinds 2005 is EXIN gestopt deze AMBI-opleiding te onderhouden en in 2010 vond het laatste AMBI-examen plaats. Het ontbreekt de ICT-sector sindsdien aan een richtinggevend, onafhankelijk en landelijk exameninstituut voor informatici. Volgens beide auteurs zijn de gevolgen daarvan ernstig. Te denken valt aan onvergelijkbare diploma’s voor hetzelfde beroep en problematische situaties waarin slechts één docent, op basis van de kwalificaties waaraan de ICT-professional moet voldoen, de onderwijsinhoud bepaalt en onderhoudt, de lessen verzorgt, het examen opstelt en tot slot alle examenuitwerkingen zelf nakijkt. Vanzelfsprekend wordt de kwaliteit getoetst door toezichthouders zoals de NVAO, de Onderwijsinspectie en – niet onbelangrijk – de werkgevers en de studiedeelnemers zelf. Het oordeel van de laatste weegt extreem zwaar in het geval van niet-bekostigd onderwijs, immers de studiedeelnemer is de betalende klant. Toch is het voor de studiedeelnemer en werkgevers lastig om het ondoorzichtige onderwijsaanbod, de kwaliteit daarvan en de toegevoegde waarde te doorgronden. Veelvuldig wordt dan ook teruggekeken naar de tijd dat AMBI een heldere lijn van ICT-opleidingen en -examens liet zien. De auteurs eindigen met de vraag of er behoefte bestaat aan landelijk gecoördineerde examens en een landelijk platform voor leerplanontwikkeling voor niet-bekostigde NVAO-geaccrediteerde ICT-hogescholen.
Wij menen dat deze vraag, naar analogie van de bekostigde ICT-hogescholen die zichzelf verenigd hebben in de stichting HBO-I, positief beantwoord moet worden. De niet-bekostigde ICT-hogescholen dienen gecoördineerd overleg te voeren over de beroeps- en opleidingsprofielen. Een dergelijk overleg bestaat ook voor opleiders van vendorcertificaten, zoals Microsoft- en Cisco-opleidingen, die zich verenigd hebben in de VOI (Vereniging van Opleidingsinstituten voor ICT). Van deze VOI zijn vier nietbekostigde ICT-hogescholen lid. De andere leden van de VOI richten zich vooral op korte opleidingen en trainingen op mbo-, mbo+- en hbo-niveau. Deze korte opleidingen en trainingen zijn eveneens gebaat bij een eenvoudige en gecoördineerde opleidings- en examenstructuur. Het is onze stelling dat niet-bekostigde NVAO-geaccrediteerde ICT-hogescholen behoefte hebben aan landelijk gecoördineerde examens en een landelijk platform voor leerplanontwikkeling.
 
Het verleden
In het verleden was de heldere structuur van AMBI en PDI (praktijkdiploma informatica op mbo-niveau) voor de opleiders al een belangrijk issue. Doordat meer dan vijftig instituten AMBI en PDI aanboden, leverde dit een extra marketingvoordeel op. Bovendien maakte iedereen gebruik van de landelijk ontwikkelde examenprogramma’s. Ieder opleidingsinstituut had ook toen al zijn eigen aanbod en onderwijsvormen, waarin het zich van de collega’s kon onderscheiden.
Al eerder waren beroepsverenigingen als Ngi en VRI actief, maar in de jaren negentig van de vorige eeuw kwam het ICT-werkveld pas werkelijk tot volle wasdom. Dat uitte zich in het (bekostigd) onderwijs (mbo: ECABO en Kenteq; hbo: HBO-I-platform), maar ook in de vendorgerelateerde certificering (Microsoft, Cisco) en de komst van brancheorganisaties als ICT~Office en ITSMF. De belangstelling voor AMBI brokkelde af en EXIN kon met de lancering van I-Tracks het tij niet keren. In de twintig jaar daarvoor was EXIN leidend in het realiseren van standaarden voor examinering en certificering van ICT-professionals. Zoals zo vaak wordt de opvoeder overvleugeld door de volgende generatie. De markt viel terug, de structuur van I-Tracks was onduidelijk en de belangstelling voor vendortrainingen van Microsoft, Novell en Cisco kreeg vleugels omdat ook detacheerders en werkgevers hier waarde aan begonnen te hechten.
 
Overeenkomsten tussen bekostigde en niet-bekostigde hogescholen
In het inleidende artikel zijn de historie en het einde van AMBI geschetst. Gebruikmakend van de nog brede acceptatiebasis van AMBI heeft in diezelfde jaren negentig een aantal grote ‘AMBI-opleidingsinstituten’ de AMBI-structuur gebruikt bij de opzet van formele hbo-opleidingen. Voorbeelden hiervan zijn de op dit vlak zeer actieve niet-bekostigde hogescholen als LOI, NOVI en Dirksen, die hun eigen bacheloropleidingen hebben ontwikkeld, afgestemd op de actuele behoefte in de markt. In dit artikel staat het toekomstperspectief op de acht niet-bekostigde ICT-hogescholen in Nederland centraal. Hierbij gaat het om LOI Hogeschool, Hogeschool NCOI, Hogeschool Dirksen, Hogeschool NOVI, NTI Hogeschool, E3 Hogeschool, SDO Hogeschool en Pro Education. Er zijn diverse verschillen tussen bekostigd en niet-bekostigd beroepsonderwijs. Deze verschillen hebben overigens geen betrekking op de lesinhoud of de erkenning van het getuigschrift. Het verschil zit, zoals de naam aangeeft, in de financieringsvorm. Een nietbekostigde instelling verwerft haar inkomsten door levering van onderwijsdiensten aan individuele werknemers die als klant daarvoor betalen (vaak gefinancierd door hun werkgevers) en die met behulp van de gevolgde opleiding meer individueel rendement (op de werkplek) willen behalen. Een ander verschil in de financieringsvorm is dat het niet-bekostigd beroepsonderwijs vennootschapsbelasting betaalt. Daarnaast is een opvallend financieel verschil dat de overheadkosten van een niet-bekostigde opleiding in verhouding veel kleiner zijn dan van een bekostigde opleiding. Volgens het CBS (cijfers van 16 december 2011) kost een door de overheid gesubsidieerd hbo-getuigschrift gemiddeld € 44.000 en met het gehele studietraject vanaf primair, voortgezet en/of mbo-onderwijs daarbij opgeteld kost een hbo-opleiding de samenleving gemiddeld zo’n € 149.000. De gemiddelde kosten van een volledige klassikale hbo-bacheloropleiding bij een niet-bekostigde hogeschool, die opleidt tot een hbo-getuigschrift (240 EC), liggen in totaal tussen de € 9.000 en € 11.000 euro, vrijgesteld van btw. Het mag duidelijk zijn dat de niet-bekostigde ICT-hogescholen zich een grote overhead niet kunnen veroorloven, waardoor samenwerking in het ontwikkelen van kernexamens voor de basisbeginselen van het ICT-vak destijds een goede strategie was (AMBI), en dat voor de toekomst nog steeds is.
 
Hoewel bij de niet-bekostigde hogescholen geen sprake is van directe overheidssteun, heeft een werkgever wel bij vrijwel alle hbobacheloropleidingen op grond van de Wet Vermindering Afdracht (WVA) recht op een belastingkorting tot € 5.422. Op deze indirecte wijze komt de overheid de werkgever tegemoet in de te maken indirecte studiekosten (begeleiding op de werkvloer, verletkosten et cetera) om scholing en een leven lang leren te stimuleren. De WVA is overigens ook van toepassing op een werkgever die niet direct bijdraagt aan de studiekosten, volgend uit een onderwijsarbeidsovereenkomst4 met de werknemer. De betrokkenheid van de werkgever is voor de studerende werknemer – los van een eventuele financiering van de opleiding – gewenst om studieafspraken te maken over (deels) studeren onder werktijd en begeleiding bij de praktijk- en afstudeeropdrachten. Maar los van de financiële verschillen is een doorlopende leerlijn van doorslaggevend belang voor het succes van het hoger beroepsonderwijs. Immers, om de gemeenschappelijke ambitie en motivatie van de individuele deelnemer en de werkgever van een leven lang leren mogelijk te maken, dient het verwerven van het bachelorniveau synoniem te zijn aan een hogere kwaliteit, productiviteit, effectiviteit en innovatie in het werk. In die zin zijn het bekostigde initieel onderwijs aan het begin van het studeerbare leven en het daarop voortbouwende niet-bekostigde beroepsonderwijs in het werkbare leven elkaars partner om de ambitie van werknemers- en werkgevers en onze overheid te realiseren.
 
Het heden: de huidige marktvraag en -aanbod
Diverse recente onderzoeken, van onder andere het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht, ECABO, ICT~Office, Hogeschool NOVI en het opleidingsfonds CA-ICT, laten zien dat de arbeidsmarkt in de komende vier jaar behoefte heeft aan ten minste tienduizend hoogopgeleide ICT’ers ofwel afgestudeerden met een opleiding hoger dan mbo 4-niveau. De trend en het advies is om in voltijd (drie jaar op de universiteit of vier jaar in het hbo) of deeltijd (bijvoorbeeld op een niet-bekostigde instelling voor hoger onderwijs) door te studeren om op bachelorniveau werk te krijgen of te behouden.
In de Europese en Nederlandse diplomastructuur wordt gewerkt met het ECTS (European Credit Transfer System). De studiebelasting wordt sinds de invoering van de bachelor-masterstructuur uitgedrukt met het internationale ECTS-systeem.
Sinds kort wordt in Nederland via pilots de mogelijkheid aangeboden van een tweejarige associate degree (van 120 ECTS, dus qua studielast halverwege de bachelor degree, maar niet qua inhoud of beroepsvorming). Een associate degree (AD) van 120 ECTS komt dus neer op twee jaar voor het realiseren van de juiste beroepshouding, inhoud en beroepsniveau voor een specifiek gedefinieerd ICT-beroep. De AD is in de VS al jaren een begrip. De Nederlandse overheid is voornemens om in september 2013 de titel associate degree definitief in te voeren. Met de AD’s kunnen hogescholen een eenvoudiger opstap creëren voor doelgroepen met een mbo-4diploma plus enige werkervaring in het vakgebied. Voor deze mensen is een vierjarig traject naar een bachelordiploma namelijk vaak te lang en moeilijk te overzien. De toekomstvisie van het ministerie en de opleiders is dat de AD als ‘tussenstation’ een goed middel kan zijn om deze deelnemers over de streep te trekken om een opleiding in het hoger onderwijs te gaan volgen voor de AD-functie die ze ambiëren. De verwachting is dat als het AD-diploma behaald is, er een substantieel deel gemotiveerd is om door te gaan met het derde en vierde jaar om het bachelordiploma te behalen. De AD leidt dus ook tot potentiële aanwas van het aantal hbo-bachelors. In figuur 1 is de Nederlandse structuur van graden (onderwijs- of kwalificatieniveaus) weergegeven, waarin het AD-niveau is toegevoegd.
 
Een toekomstvisie
Het aantal en aandeel van niet-bekostigde hogescholen is inmiddels fors gegroeid en hun aanbod zal zich verbreden nu een aantal van deze instituten ook associate degree pilots in aanvraag heeft. De ontwikkeling van zowel AD-als bachelorprogramma’s is een tijdrovende en kostbare operatie. Bovendien komen de nieuwe ontwikkelingen in razend tempo op ons af. Het moge duidelijk zijn dat het zich eveneens snel ontwikkelend aanbod van ICT-opleidingen moet blijven aansluiten op het beroepenveld. Dit beroepenveld wordt gevormd door onder meer de detacheerders, de kleine en grote IT-bedrijven (vertegenwoordigd door CIO Platform en ICT~Office), alsmede het initiële mbo- en hbo-ICT-onderwijs, de vendoropleidingen en het onderwijs- en arbeidsmarktbeleid in Europa. Dit alles onder controle van OCW, NVAO en de Onderwijsinspectie.
Het ligt vanuit deze internationale en brede toekomstvisie voor de hand dat ook nu weer de opleiders samenwerken aan de gezamenlijke toetsontwikkeling. Daarbij moet over de grenzen van het eigen instituut heen gekeken worden en staat het belang van een goed opleidingsaanbod voorop.
Er is behoefte aan een set van kernexamens voor de basisbeginselen van het ICT-vak op hbo-niveau, waarin naast fundamentele kennis ook de nieuwe ontwikkelingen en inzichten in de ICT worden getoetst bij werknemers die worden opgeleid tot de erkende titels AD en bachelor ICT. De aandacht richt zich vooral op de examinering, want het opleiden van professionals, reeds werkzaam in de praktijk, is bij uitstek een kwaliteit van het niet-bekostigd ICT-onderwijs. Niet-bekostigde hogescholen maken het immers al jaren mogelijk om kennis en ervaring van werknemers te upgraden naar een hbo-diploma. Wanneer een werknemer beschikt over relevante en onderhouden werkervaring en erkende certificaten (te denken valt aan AMBI, PDI, MCSE of MCSA), meer dan drie jaar werkzaam is in de ICT-branche en een fors studietempo aankan, is het niet-bekostigd onderwijs in staat deze werknemer binnen twee jaar op te leiden tot het NVAO-geaccrediteerde bachelordiploma.
 
Een actieplan
Alle onderwijspartijen die de beroeps- en praktijkvorming van ICT-professionals ter harte gaat zouden hun energie moeten richten op het vermarkten van hun studiesuccessen en op het opleiden naar een hoger niveau van al ruimschoots en (inter)nationaal vakkundig beschreven ICT-competenties. Een pleidooi om terug te keren naar AMBI zou een stap terug in de tijd zijn, maar het gezamenlijk ontwikkelen van kernexamens voor de basisbeginselen van het ICT-vak zou een enorme stap voorwaarts betekenen. Voor herkenning van de ICT-professional is een eenvoudige(r) uitleg van de nationale en internationale leerplannen binnen de Nederlandse en Europese kwalificatiekaders nodig. Een herkenbare examinering en een bijbehorend landelijk register kunnen hiertoe bijdragen, want sinds het beëindigen van AMBI ontbreekt het voor werkgevers en werknemers binnen de ICT-sector aan een herkenbare en transparante lijn van modules en examens. In deze lijnen is uiteraard plaats voor modules en vendorcertificaten van Microsoft of Cisco en andere instituten voor het opleiden van de benodigde actuele basisvaardigheden.

De bovenstaande aanbeveling betekent wel dat op nationaal niveau afstemming moet plaatsvinden tussen de ICT-hogescholen in het kader van vergelijkbare modules en toetsen. Een dergelijk overleg tussen bekostigde en niet-bekostigde ICT-hogescholen kan wellicht worden geformaliseerd in een platform voor leerplan- en toets-/ examenontwikkeling, dat de volgende producten kan produceren:

• de competenties/eindtermen van de module;
• de vertaling van competenties/eindtermen naar toetsing;
•het toetsstramien, hoe het examen in elkaar steekt;
• de vraagvorm van de toets (bij kennisgerichte toetsen bijvoorbeeld open vragen of meerkeuzevragen, bij toepassingsgerichte toetsen programmeerof simulatieopdrachten);
• de voorbeeldexamens met uitwerkingen en literatuurverwijzingen.

Een efficiënte en bedrijfseconomische invulling van deze producten kan worden gerealiseerd door een goede internetdatabase van toetsen en examens die in samenwerking tot stand komt. Het is daarbij voor de transparantie een noodzaak om de vulling te conformeren aan e-CF en EQF/NLQF. Het platform kan tevens de vendorcertificaten positioneren als onderdelen van een leertraject dat opleidt voor een erkende associate degree.
In het op te richten Nationaal Register van Informatici (NRvI) kunnen behaalde examens en de mate van professionaliteit worden geregistreerd (vergelijkbaar met het diplomaregister dat de overheid ontwikkelt). In het NRvI kan eveneens een registratie van permanente educatie plaatsvinden, zodat kan worden vastgesteld of iemand nog werkzaam is in het vakgebied en over welke ervaringen deze persoon beschikt. Nagegaan moet worden welk instituut of welke beroepsorganisatie het meest geëigend is om dit register op te zetten en te onderhouden. Vanuit historisch perspectief ligt hier een rol voor EXIN, dat als nationaal instituut een verantwoordelijkheid heeft naar (oud-) studenten, waarvoor uit Nederlandse examinering en overheidssubsidies een grote financiële bestemmingsreserve is opgebouwd. Uit dit themanummer blijkt dat er in 2015 en de jaren daarna behoefte is aan duizenden ICT-functionarissen. Het niet-bekostigd ICT-onderwijs kan daaraan een bijdrage leveren. Zo hebben de staatssecretaris van Onderwijs en het private onderwijs via de NRTO op 13 januari jongstleden een hoofdlijnenakkoord ondertekend om duizenden werknemers op te leiden tot de associate degree (NRTO, 2012). Het verdient aanbeveling om binnenkort een overleg tussen ICT-hogescholen te starten waarin een visie op de toekomst wordt geconcretiseerd.

 

Literatuur
NRTO (2012.) NRTO sluit hoofdlijnenakkoord met staatssecretaris Zijlstra, http://www.nrto.nl/?news=nrto-sluit-hoofdlijnenakkoord-met-staatssecreta....
Qrossroads (2012). National qualifications framework, http:// www.qrossroads.eu/higher-education-in-europe/netherlands/ qualifications-framework-102 (geraadpleegd op 1 januari 2012).

 

 
Dirk van der Mark
is directeur van Hogeschool Dirksen en voorzitter van de VOI. E-mail: dvdmark@dirksen.nl.
 
Hans Mulder
is lector aan de Hogeschool NOVI voor Bedrijfskunde en ICT en voorzitter van de ICT-beroepenveld-en-opleidingscommissie van Hogeschool LOI. E-mail: hans. mulder@viagroup.nl.
 
De auteurs hebben dit artikel geschreven op persoonlijke titel en danken Oscar Helfferich van de LOI Hogeschool en Kees Louwman en Jilt Sietsma van de Hogeschool NOVI voor hun kritische bijdragen aan dit artikel.

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag