Robot: metgezel of vijand?

Robot: metgezel of vijand?
Komen robots onze banen inpikken? Nu de crisis op zijn einde lijkt te lopen, zien sommige deskundigen nieuw economisch onheil op de loer liggen. Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee van MIT stellen dat robots en computers steeds meer het werk zullen overnemen van mensen. Carl Benedikt Frey en Michael Osborne van Oxford Martin stellen dat bijna de helft van het huidige werk binnen twintig jaar te vervangen is door digitale technologie. Zijn robots inderdaad een bedreiging? En hoe zit dit specifiek voor Nederland? Via zes vragen zien we dat ze vooral een kans zijn.
Marieke Blom
 
1) Zijn we door technologie in het verleden substantieel minder gaan werken?
Al sinds mensenheugenis verhogen mensen hun productiviteit (wat ze per uur kunnen maken) door innovaties: het wiel, de keerploeg, de stoommachine, de lopende band en de computer zorgden allemaal dat we per uur meer konden produceren. Al bijna even oud lijkt de verwachting dat uitvindingen zullen leiden tot een luizenleventje, waarin niet meer gewerkt hoeft te worden. De gezaghebbende econoom Keynes voorzag in 1933 bijvoorbeeld dat ‘het tempo waarin we arbeid besparen hoger zal zijn dan het tempo waarin we nieuwe toepassingen voor arbeid bedenken.’ Toch hebben we – ondanks een eeuwenlange ontwikkeling waarin we per uur steeds productiever zijn geworden – nog altijd geen tijd over. Dat heeft meerdere redenen. Robots (die we hier als symbool gebruiken voor alle nieuwe technologie die de productiviteit per uur verhoogt) maken producten bijvoorbeeld goedkoper, en daardoor kan de prijs van het product omlaag (of de kwaliteit omhoog). Dus kopen meer mensen het product. Neem als voorbeeld televisies: die zijn (relatief) steeds goedkoper geworden, en nu hebben we gemiddeld 1,7 stuks in huis. Ten tweede maakt die nieuwe technologie ons ook rijker, en daardoor willen we nieuwe producten en diensten kopen. We gaan bijvoorbeeld steeds vaker uit eten naarmate we rijker worden. Bovendien bespaart nieuwe technologie niet alleen werk, maar het creëert tegelijk nieuwe behoeftes en mogelijkheden. In Nederland is bijvoorbeeld de gamesindustrie ontstaan.
Het antwoord op de eerste vraag luidt dus: nee. Door robots gaan we vaak ander werk doen, maar – op termijn – niet zozeer per persoon minder werken. Nederlanders werken nu (per hoofd van de bevolking) zelfs iets meer uren dan in 1950.
 
2) Is Nederland als open economie met hoge lonen geschikt voor robots?
Ja, bij uitstek. Nederland is gericht op export en de lonen zijn relatief hoog. In de industrie zijn de gemiddelde loonkosten weliswaar lager dan in Duitsland, België en Frankrijk, maar juist hoger dan in Engeland, Italië of Oost-Europa. Om van Azië maar niet te spreken. Wil een bedrijf in Nederland concurrerend zijn, dan moet de productie per persoon heel hoog zijn. Robots maken dat mogelijk.
Denk aan 247TailorSteel in de Achterhoek waar robots en gekoppelde systemen efficiënt platen en buizen kunnen snijden. Of Philips in Drachten, waar scheerapparaten gemaakt kunnen worden met robots, die anders in China gemaakt zouden zijn.
 
3) Wat betekenen robots voor economische groei?
Een land kan ‘aan twee knoppen draaien’ om de economie te laten groeien. Knop één: de inwoners kunnen meer uren gaan werken. Knop twee: per uur gaan werknemers meer doen. In het verleden werkte in Nederland knop één, omdat er steeds meer mensen waren. Maar de komende decennia zullen steeds meer mensen met pensioen gaan en komen minder jongeren de arbeidsmarkt op. Dit wordt deels gecompenseerd door de hogere pensioenleeftijd en doordat vrouwen gemiddeld wat meer uren werken. Per saldo staat knop één de komende decennia echter bijna op nul (figuur 1) . Dus voor een flinke groei van de economie heeft Nederland de tweede knop – robots, waardoor werknemers per uur meer kunnen doen – hard nodig.
Figuur 1. Groei potentiële beroepsbevolking vlakt af
 
4) Raakt dan niemand zijn werk kwijt?
Ja, toch, want nieuwe technologie vervangt soms banen. In het verleden bestonden er vele beroepen die nu niet meer bestaan: een telefoonoperator, een mandenmaker, een koetsier of een datatypiste. Ook in de toekomst zullen beroepen verdwijnen. De caissière wordt vervangen door een automatische scanner, de heftruckchauffeur door een zelfrijdende heftruck. Maar tegelijk vinden anderen juist werk: in de gamesindustrie, als helpdeskmedewerker, als social media manager. Door technologie zal de arbeidsmarkt voortdurend veranderen, net als in het verleden. Dat is op korte termijn voor degenen die het nu betreft wel degelijk pijnlijk, maar ook die verandering is van alle tijden. Waar het dan om gaat is te zorgen dat organisaties en werknemers in staat zijn om met de verandering om te gaan. Dat vraagt om een flexibele geest, de vaardigheid en bereidheid om nieuwe dingen te leren.
 
5) Is Nederland goed in innovatie?
Nederland heeft de goede papieren voor innovatie. Het opleidingsniveau van de huidige beroepsbevolking in Nederland is met 32 procent hoogopgeleiden nu voor een ontwikkeld land gemiddeld. De aanwas van hoogopgeleide jongeren is echter wel hoog vergeleken met andere landen (figuur 2) . Het aandeel laagopgeleiden in de beroepsbevolking daalt snel, omdat de jongere generaties steeds hoger opgeleid zijn. Nederland absorbeert nieuwe technologie relatief snel. Zo is Nederland koploper in het aantal huishoudens met een breedband internetaansluiting, en kopen Nederlanders relatief veel online. Ons bedrijfsleven doet, vergeleken met de rest van Europa, veel aan technologische innovatie: 47 procent van de bedrijven deed dit in de periode 2008-2010, terwijl het Europees gemiddelde 39 procent was (CBS 2013). De Oeso roemt de goede kwaliteit van het hoger onderwijs en noemt het Nederlandse bedrijfsleven, vooral de grote multinationals, als voorlopers op gebied van innovatie, met bijvoorbeeld veel patentaanvragen.
Deze kenmerken (een hoog opleidingsniveau, snelle absorptie van nieuwe technologie en een bedrijfsleven dat goed in staat is tot innoveren) stellen Nederland in staat om te innoveren.
Figuur 2. Steeds meer jongeren volgen hoger onderwijs
 
6) Kunnen werknemers wel tegen verandering?
Zijn werknemers wel klaar voor verandering? Het ING Economisch Bureau heeft Nederlandse respondenten hierover stellingen voorgelegd via de ‘Vraag van Vandaag’, de grootste internetpoll van Nederland, onder alle internetbankierende klanten van ING. Gemiddeld 43.000 mensen reageerden op deze stellingen.
De afgelopen jaren zijn op het werk voor de respondenten al heel dynamisch geweest. Bijna iedereen heeft de inhoud van zijn werk de afgelopen vijf jaar een beetje of veel zien veranderen (82 procent). Ook voor de komende vijf jaar verwacht een grote meerderheid (78 procent) dat hun werk een beetje of veel zal veranderen. Ook denkt een flink deel van de respondenten (één op drie) dat hun organisatie over tien jaar niet meer bestaat. Respondenten verwachten kennelijk dat de dynamiek in hun werk groot blijft.
Respondenten zijn over verandering op het werk tamelijk positief: 48 procent vindt dit meestal (heel) leuk, een duidelijk kleinere groep (28 procent) juist niet.
Dit sluit aan op de relatief hoge baanmobiliteit van vooral jonge Nederlandse werknemers. Nederlandse jongeren zijn zeer mobiel op de arbeidsmarkt en wisselen snel van baan (CPB op Mejudice, 2014). Op termijn betekent dit dat de Nederlandse beroepsbevolking steeds meer ervaring heeft met het wisselen van werkomgeving: de ouderen (die relatief juist weinig van baan wisselen) verlaten immers via pensionering op termijn het arbeidsproces.
Leren voor het werk is populair: 78 procent vindt leren voor het werk meestal leuk, en slechts 9 procent geeft aan dit juist niet leuk te vinden. In internationaal perspectief lijken Nederlanders inderdaad graag te leren: in 2012 volgde 16,5 procent van de Nederlandse bevolking van 25 tot 65 jaar een post-initiële opleiding of cursus. Dat is ruimschoots boven het EU-gemiddelde van 9 procent (CBS 2013).
Respondenten zien technologie meestal als positief (36 procent) of neutraal (38 procent) voor hun kansen op de arbeidsmarkt. Eén op de vier ziet technologie juist als negatief voor hun eigen kansen (figuur 3) . Dat is een beduidend lager deel van de mensen dan wat de deskundigen verwachten: zij zien immers dat bijna de helft van de banen door technologie vervangen kan worden.
 
Figuur 3. Vooral neutraal tot positief over technologie

De reacties van respondenten stroken met deze economische analyse. Wat in het verleden goed was voor de economie, zonder de werkgelegenheid blijvend te schaden, zal dat in de toekomst ook zijn. Voor Nederland zijn de voordelen van de inzet van robots relatief groot: Nederland exporteert veel, de lonen zijn hoog, en door de vergrijzing zal het aantal werkenden nog nauwelijks toenemen. Nederland heeft bovendien de goede papieren voor innovatie, en is voorbereid op dynamiek op de arbeidsmarkt. Nederland heeft dus alle reden om de robot vooral te zien als een metgezel, niet als een vijand.
 
Marieke Blom is hoofdeconoom ING Nederland. E-mail: marieke.blom@ing.nl
 
 
 

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag