Sectorbrede architectuurraamwerken

Sectorbrede architectuurraamwerken
Vele sectoren nemen het initiatief voor standaarden voor onderlinge gegevensuitwisseling en systeemintegratie. Wat drijft deze sectoren? En hoe zorg je dat de standaarden een succes worden? Twee voorbeelden uit het onderwijs en de woningcorporaties.
Bas Kruiswijk
Er zijn grote verschillen tussen de initiatieven die verschillende sectoren nemen om tot sectorbrede standaarden te komen. Sommige worden van bovenaf aangestuurd, vanuit centraal beleid voor de sector als geheel of vanuit de centrale overheid. Andere initiatieven worden van onderaf aangestuurd en zijn gericht op het oplossen van praktische problemen. Ook inhoudelijk richten de initiatieven zich vaak op verschillende aspecten, zoals de selectie en toepassing van een architectuurraamwerk voor de sector als geheel; de ontwikkeling van een referentiearchitectuur; de concrete uitwerking naar praktisch toepasbare richtlijnen en technische standaarden. Deze volgorde wordt ook beschouwd als de koninklijke weg. Een architectuurraamwerk geeft structuur aan het geheel. In een architectuurraamwerk worden de verschillende deelarchitecturen gedefinieerd en de aspecten die binnen elke deelarchitectuur een rol spelen. In figuur 1 is als voorbeeld het architectuurraamwerk van NORA (Nederlandse Overheids Referentie Architectuur) weergegeven. Hierin is te zien dat er onderscheid wordt gemaakt tussen een bedrijfsarchitectuur, een informatiearchitectuur en een technische architectuur. Binnen elk van die deelarchitecturen worden drie aspecten onderscheiden, weergegeven in de drie kolommen. Zo ontstaat een ordening van de deelarchitecturen die kunnen worden uitgewerkt.

Figuur 1. Architectuurraamwerk NORA
 
De ontwikkeling van een referentiearchitectuur betekent vervolgens dat er concrete modellen met bijbehorende principes worden gemaakt op een aantal gebieden die in het raamwerk zijn gedefinieerd. Vaak is in een referentiearchitectuur voor een sector veel aandacht voor het in kaart brengen van de producten en diensten en een modellering van de bedrijfsprocessen die daarvoor nodig zijn. Dit is de bedrijfsarchitectuur. Vervolgens wordt een vertaling gemaakt naar de functionaliteiten die nodig zijn om deze bedrijfsprocessen te ondersteunen, en de gegevens die daarbij een rol spelen. Dit is de informatiearchitectuur.
Een referentiearchitectuur helpt de organisaties in de sector met een gemeenschappelijke taal, en een gemeenschappelijk inzicht in de samenhang tussen producten en diensten, bedrijfsprocessen en functionaliteit van ICT-systemen. De laatste stap is de concrete uitwerking naar praktisch toepasbare richtlijnen en technische standaarden. Dit concentreert zich meestal op standaarden voor gegevensuitwisseling en integratie van systemen, zowel binnen de organisaties als in de keten.
Waarom standaardiseren?
Wat is het nut van standaardiseren? Organisaties hebben heel verschillende redenen om te streven naar een referentiearchitectuur en sectorbrede standaarden. Dit zijn de belangrijkste:
Verbetering van integratie
De informatievoorziening binnen organisaties en tussen organisaties in de keten is vaak historisch verdeeld over eilanden van automatisering. Door deze versnippering worden (keten)processen niet integraal ondersteund. Meer integratie is gewenst, maar dan wel zo dat het niet te complex en onbeheersbaar wordt.
Vergroten van flexibiliteit en leveranciersonafhankelijkheid
Als organisaties al wel integratie hebben gerealiseerd (binnen de eigen organisatie of in de keten), is dat vaak uitgegroeid tot een veelkleurig landschap van koppelingen die zowel qua technische oplossing als qua gegevensinhoud te divers is. Hierdoor is er te weinig flexibiliteit en een te grote leveranciersafhankelijkheid. De beheerproblematiek is zo groot dat er geen ruimte meer is voor vernieuwing. Meer uniformiteit en standaardisatie kan zorgen voor ruimte voor vernieuwing. Als er sprake is van flexibiliteit, kunnen ook gemakkelijker producten van verschillende leveranciers worden geïntegreerd.
Verbeteren van de dienstverlening en effectiviteit in de keten
In het verlengde van de vorige twee punten kan gegevensuitwisseling en integratie in de keten leiden tot betere dienstverlening in de keten. De ICT-functionaliteit wordt in verband gebracht met de (dienstverlenende) processen, zodat deze processen beter en integraler worden ondersteund. Zo komen er steeds meer diensten beschikbaar die binnen een sector gezamenlijk of als generieke clouddienst beschikbaar zijn. Deze diensten moeten naadloos worden geïntegreerd in de eigen informatievoorziening. Als er wordt geïnvesteerd in koppelvlakken, dan moet dat bij voorkeur gebaseerd zijn op een bredere standaard dan alleen die van de betrokken leveranciers. Investeringen in deze koppelvlakken zijn dan meer toekomstvast, omdat ze ook toepasbaar blijven als het applicatielandschap wijzigt.
Succesvol
Initiatieven om een referentiearchitectuur en sectorbrede standaarden te ontwikkelen komen op heel verschillende manieren tot stand. De vraag is wanneer die initiatieven het meest succesvol zijn. Het lijkt erop dat het succes het grootst is wanneer er zowel een beweging ‘van bovenaf’ is (waarbij er vanuit sectorbreed beleid wordt gestuurd op architectuur en standaardisatie) als een beweging ‘van onderaf’ (waarbij er individuele organisaties samen met leveranciers werken aan concrete oplossingen voor praktische problemen). Initiatieven ‘van bovenaf’ volgen vaak de koninklijke weg, maar hebben het nadeel dat ze vrij abstract zijn en geen directe oplossingen voor problemen bieden. Initiatieven ‘van onderaf’ beginnen juist bij die concrete problemen, maar missen vaak de samenhang. De initiatieven ‘van bovenaf’ worden vaak genomen door een koepelorganisatie, brancheorganisatie of ministerie. Overkoepelend beleid wordt dan vertaald naar een referentiearchitectuur voor de sector. Daarbij is vaak veel aandacht voor het formuleren van architectuurprincipes. Dat zijn richtinggevende principes die kaderstellend zijn voor de inrichting van de informatievoorziening bij de organisaties in de sector. Daarbij is relatief veel aandacht voor de ketensamenwerking, en minder voor de informatievoorziening binnen een individuele organisatie. De initiatieven ‘van onderaf’ worden vaak genomen door één of enkele organisaties in de sector. Vanuit praktische problemen wordt de samenwerking gezocht, in veel gevallen ook met leveranciers, en worden standaarden ontwikkeld die sectorbreed toegepast kunnen worden. Hier zit de echte urgentie. Als deze beide bewegingen elkaar versterken zijn er goede kansen om flinke stappen te zetten met standaardisering. Er is dan zowel een technische noodzaak als een drijfveer buiten de IT. Een initiatief is pas echt succesvol als het bijdraagt aan het realiseren van de genoemde doelen, dus als het concreet bijdraagt aan het realiseren van betere integratie, flexibiliteit, leveranciersonafhankelijkheid, betere dienstverlening en meer toekomstvaste ICT-voorzieningen. Uiteindelijk gaat het om de stap van papier naar praktische toepassing.
Om het voorgaande te illustreren beschrijf ik hoe sectorbrede standaarden in twee sectoren tot stand zijn gekomen.
Onderwijs
In het onderwijs wordt de kennisontwikkeling en toepassing van ICT al jaren op sectorniveau ondersteund door Kennisnet (van primair onderwijs tot middelbaar beroepsonderwijs) en SURF (voor het hoger onderwijs). Kennisnet wordt door de overheid gefinancierd, SURF grotendeels door de instellingen voor hoger onderwijs zelf. Voor beide organisaties geldt dat ze zo goed mogelijk op de wensen van de onderwijsinstellingen proberen in te spelen. Het werk van Kennisnet en Surf heeft de afgelopen jaren geleid tot de ontwikkeling van een groot aantal standaarden, en in een aantal gevallen ook tot de realisatie van voorzieningen die deze standaarden sectorbreed ondersteunen. Denk hierbij aan standaarden voor de uitwisseling van studentgegevens en portfolio, en voor voorzieningen voor het delen van lesmateriaal of een federatieve authenticatie voor clouddiensten. Dit zijn grotendeels initiatieven van onderaf, waarin voor concrete toepassingen oplossingen zijn gezocht.
Een ander voorbeeld van een initiatief dat sterk vanuit de behoeften van de instellingen is ontstaan, is de samenwerking in het mbo. Het zogenaamde Triple A-initiatief is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een sectorbreed referentiekader voor het mbo, uiteenlopend van architectuurmodellen, functionele ontwerpen tot technische standaarden voor berichtuitwisseling. Hierin wordt ook sterk samengewerkt met Kennisnet. Hoewel ook dit initiatief vanuit de sector en vanuit concrete problemen is ontstaan, is het uitgegroeid tot een referentiearchitectuur voor het hele mbo-veld.
Naast deze ontwikkelingen die toch vooral van onderaf en behoefte gedreven zijn, is er sinds enkele jaren ook meer aandacht voor sturing en standaardisering vanuit het ministerie van onderwijs. Op dat niveau is ROSA ontwikkeld: Referentie Onderwijs Sector Architectuur. Het doel van ROSA is om organisaties te ondersteunen die binnen het onderwijsdomein informatie uitwisselen of die informatie uitwisselen met het onderwijsdomein. Dit gebeurt onder andere door de belangrijkste principes en uitgangspunten te formuleren voor een efficiënte en transparante onderwijssector. Figuur 2 illustreert hoe ROSA zich verhoudt tot de verschillende initiatieven die van onderaf in de sector zijn genomen.
Figuur 2. Positionering ROSA

Het lijkt erop dat er door deze beweging steeds meer samenhang ontstaat tussen de verschillende architectuurbeschrijvingen en technische standaarden in de onderwijssector. Het wordt een samenhangend geheel waarin initiatieven elkaar versterken. De echte toegevoegde waarde komt van de initiatieven die van onderaf zijn genomen. Vooral op het gebied van integratie is er een groot aantal standaarden en gemeenschappelijke voorzieningen gerealiseerd die breed in de sector worden toegepast en daarmee de leveranciersonafhankelijkheid vergroten. Een voorbeeld zijn de standaarden en voorziening die door Surf en Kennisnet zijn gerealiseerd op het gebied van digitaal leermateriaal en clouddiensten.
Woningcorporaties
Een sector die iets verder van de overheid staat is die van de woningcorporaties. Een aantal corporaties heeft een aantal jaren geleden zelf de handschoen opgepakt door CORA te ontwikkelen: COrporatie Referentie Architectuur. Opvallend is dat deze architectuur aanvankelijk gestart is als een globale architectuur waarin diensten, bedrijfsprocessen, informatiefuncties en gegevensobjecten in samenhang zijn gemodelleerd. Onlangs is versie 3.0 uitgebracht en is CORA een breed referentiekader voor de sector geworden, inclusief concrete instrumenten om het toe te passen. (figuur 3)
 
Figuur 3. De referentiemodellen in CORA 3.0

Aanvankelijk was CORA ook een initiatief van onderaf. Een sectoraal samenwerkingsplatform op IT-gebied, de NetwIT, heeft CORA namens de corporaties laten ontwikkelen. Inmiddels is een beweging op gang gekomen die meer op beleidsniveau stuurt op standaardisering. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Aedes als brancheorganisatie CORA in beheer heeft genomen en deze verantwoordelijkheid nu binnen de sector op zich neemt. CORA is dus uitgegroeid tot een brede, kaderstellende referentiearchitectuur voor de hele sector die nu ook belegd wordt op de plek waar het hoort.
Een belangrijke spin-off van CORA is een samenwerking van enkele corporaties met de markt van leveranciers om tot een technische vertaling te komen. Dit initiatief, VERA, leidt tot concrete, technisch implementeerbare berichtstandaarden die verschillende leveranciers daadwerkelijk implementeren. Dit initiatief is ontstaan uit de behoefte aan standaardisatie en technische afspraken zodat oplossingen van leveranciers beter kunnen worden geïntegreerd. Leveranciers zijn ook actief bij de ontwikkeling van de standaarden betrokken.
Ook binnen de woningcorporaties lijkt het erop dat de combinatie van een sectorbrede, kaderstellende architectuur en initiatieven die van onderaf werken aan concrete technische afspraken leiden tot een breed toepasbare, samenhangende verzameling van richtlijnen en afspraken. Het komt nu aan op de praktische toepassing. Leveranciers die nu zeggen te voldoen aan de CORA-standaard doen een loze belofte. Met de ontwikkeling van VERA, een technische specificatie van koppelvlakken, wordt dat anders. Als die standaard wordt geïmplementeerd door leveranciers, ontstaan er echt mogelijkheden voor betere integratie en meer flexibiliteit en leveranciersonafhankelijkheid.
Conclusie
Voor succesvolle initiatieven is een goede balans noodzakelijk tussen een samenhangend referentiekader in de vorm van een sectorbrede referentiearchitectuur én initiatieven die concrete oplossingen voor concrete problemen bieden. Referentiearchitecturen zijn vooral veel papier. Het komt aan op de daadwerkelijke implementatie in oplossingen. Pas dan wordt de toegevoegde waarde gerealiseerd: meer integratie, flexibiliteit, leveranciersonafhankelijkheid en uiteindelijk toekomstvaste ICT-oplossingen.
 
Drs. Bas Kruiswijk is adviseur bij Twynstra Gudde op het gebied van ICT-strategie en architectuur. Hij richt zich de laatste jaren vooral op ICT-vraagstukken in het onderwijs en bij woningcorporaties. E-mail: bkr@tg.nl
Literatuur
Bas Kruiswijk en Rob Poels. Digitale architectuur , 2012, Eburon Business (www.digarch.eu).
 

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag