A-sociale architect wordt socio-technische architect

A-sociale architect wordt socio-technische architect
Zijn enterprisearchitecten a-sociaal als het perspectief van medewerkers ontbreekt in hun architecturen? Met enkele aanpassingen transformeren a-sociale architecten in socio-technische architecten. Tenminste, als managers en opdrachtgevers meewerken.
Sander Meijer
Het is februari. Medewerkers wonen de demonstratie bij van het nieuwe informatiesysteem. Het systeem levert de ondersteuning voor het nieuwe bedrijfsvoeringsmodel. In dat model krijgen medewerkers veel verantwoordelijkheid en vrijheid om hun werk uit te voeren. Zo kunnen zij met hun teamleden het werk inplannen, uitvoeren en controleren. Het informatiesysteem is ontworpen om hen daarin te ondersteunen. Deze nieuwe benadering, zo verwacht het management, leidt tot medewerkers die trots zijn, zich gewaardeerd voelen, en daardoor gemotiveerd en productief zijn. In die werkomgeving passen hoog opgeleide medewerkers. ICT-professionals verzorgen de demonstratie. Zij tonen hoe het informatiesysteem het werk van medewerkers plant, organiseert, uitvoert en zo veel mogelijk controleert. Medewerkers hoeven alleen nog de ‘uitval’ van het systeem te verwerken.
Het leidende informatiesysteem
In deze demonstratie zagen de medewerkers dat hun toekomstige professionele vrijheid en verantwoordelijkheid ingeperkt werden tot de uitvoering van, in hun ogen, eenvoudige taken. Zij waren daardoor in verwarring; het management had toch aangegeven veel waarde te hechten aan hun professionele en individuele vrijheid? Zij had hen daarvoor de nodige verantwoordelijkheid gegeven. Het leek inconsistent te zijn dat het management hoog opgeleide medewerkers aan het werven was terwijl zij tegelijkertijd een informatiesysteem toonden waarmee die medewerkers alleen ‘uitval’ hoefden te verwerken. Het informatiesysteem wekte de indruk dat de sociale en culturele waarden uit het nieuwe bedrijfsvoeringsmodel niet ondersteund werden: het systeem ondersteunde niet de medewerker, het was de medewerker die het informatiesysteem ondersteunde.
Dominantie van technologie
Dit fenomeen, waarin bij het ontwerp van enterprisearchitecturen het technische systeem (zoals een informatiesysteem) eerst wordt ontworpen en het sociale systeem pas daarna, komt vaker voor (Clegg 2000). In ‘Modern times’, de film van Charlie Chaplin uit 1936, is de ondergeschiktheid van de mens aan de machine een thema. In 2007, 2008 en 2009 constateerden Postma en Wallage, de Algemene Rekenkamer en Docters van Leeuwen dat de modernisering van de Nederlandse overheid gekenmerkt wordt door een dominant accent op technologie. De professionele ruimte van ambtenaren en moderne, netwerk-achtige vormen van organiseren krijgen nauwelijks ruimte, zo is hun constatering. En dat terwijl er diverse publicaties zijn waarin het belang van de professionele ruimte van medewerkers bij de overheid onderstreept wordt (Schnabel, Keuzenkamp et al. 2004; SER 2006; SVB 2009). Bovendien zijn er allerlei moderne communicatietechnologieën (zoals Web 2.0, Facebook, Google en Yammer) die het mogelijk maken om nieuwe vormen van werken en organiseren te implementeren (O’Reilly 2005; Frissen 2007; Frissen, M. van Staden et al. 2008; Naghib-Bukman 2011).
Socio-technische kwaliteitscriteria
Het onderzoek naar socio-technische kwaliteitscriteria vindt al plaats sinds halverwege de vorige eeuw en gebeurde onder anderen door Trist, Emery en Cherns. Zij gaven aan dat tijdens het ontwerpen van organisaties zowel het technische als het sociale systeem beide gezamenlijk ontworpen en geoptimaliseerd moeten worden. Dit met als doel om tot functionerende organisaties te komen, met gemotiveerde medewerkers. Hun onderzoek resulteerde in socio-technische ontwerpmethoden voor organisaties. Mumford heeft dit vertaald in een ontwerpmethodiek en kwaliteitskenmerken voor informatiesystemen. Die kwaliteitskenmerken waren gericht op vaardigheden, interesses, waarden van medewerkers, efficiency en taakstructuur van de organisatie.
Ontbrekende ontwerpelementen
Ondanks de relatief lange historie van deze socio-technische ontwerpbenaderingen is de vraag nog steeds actueel op welke wijze enterprisearchitecten in hun ontwerpactiviteiten sociale en culturele aspecten van organisaties analyseren en opnemen. Vakbladen en wetenschappelijke artikelen besteden nog steeds relatief weinig aandacht aan de relatie tussen cultuuraspecten van organisaties en enterprisearchitectuur (Meijer 2012). Als er al aandacht voor is, dan blijkt die gericht te zijn op een beperkt aantal sociale aspecten. Deze komen vrijwel alleen voor op een beschrijvend niveau. Bijvoorbeeld als inleidende tekst of algemene toelichting bij architectuurdocumenten. Zij blijken echter niet normatief te zijn voor het uiteindelijke ontwerp van de informatiesystemen
en onderliggende technische infrastructuur. Enterprisearchitecturen richten zich primair op het zo efficiënt mogelijk leveren van producten en diensten, zonder daarbij aandacht te geven aan de eisen en wensen van medewerkers ten aanzien van hun werk. Voor de culturele aspecten van organisaties geldt dat zij helemaal niet worden meegenomen in enterprisearchitecturen, ook niet in beschrijvende zin.
Architectuur en symboliek
De vergelijking tussen traditionele architectuur en enterprisearchitectuur bestaat al sinds het ontstaan van de enterprisearchitectuur discipline. De vraag is of architecten sociale en culturele aspecten van hun architecturen onderkennen. Dit blijkt zo te zijn. Virtrivius, die rond het jaar 15 voor Christus de verhandeling ‘De architectura’ schreef, beschreef dat architectuur zowel aan functionele als symbolische vereisten recht moet doen. Op die manier is architectuur een belangrijk instrument ter ondersteuning van sociale en culturele waarden van een samenleving. Tenslotte beïnvloedt architectuur met haar prominente aanwezigheid het publiek. Dat gebeurt bewust, op basis van de functie en structuur van het bouwwerk, of onbewust, vanwege de gevoelens, normen en waarden die de architectuur symboliseert. Voorbeelden hiervan zijn de Griekse tempels, die de universele geometrische wetten symboliseren, de Egyptische piramides van Gizeh en Karnak, die continuïteit en ordelijkheid symboliseren, en Gotische kathedralen, die met hun hoge bogen het hiernamaals symboliseren en katholieke waarden accentueren. Recentere voorbeelden zijn de Petronas-torens in Kuala Lumpur en One World Trade Center in New York. De Petronas-torens zijn een krachtig symbool dat Maleisië onderdeel is van de wereldwijde economie. One World Trade Center symboliseert de macht, onafhankelijkheid en veerkracht van de Amerikaanse samenleving. Architectuur gaat dus niet alleen over functionaliteit, maar ook over maatschappelijke waarden. Lefebvre geeft zelfs aan dat vanwege die symbolische waarden veranderingen in de maatschappij en architectuur hand in hand gaan. Dit betekent dat elk tijdsbestek zijn eigen kenmerken heeft die de architectuur en stedenbouw weerspiegelen. In de middeleeuwen waren bijvoorbeeld de adel en de kerk dominant. In het industriële tijdperk domineerden het kapitaal en de politiek. Tot op heden zijn financiële krachten en efficiency dominant in de maatschappij. Deze machtsfactoren zijn zichtbaar in steden. De macht van de overheid en de financiële sector zijn bijvoorbeeld nadrukkelijk aanwezig in steden als Den Haag, Amsterdam en Rotterdam. Levebre stelt zelfs dat de Sovjet-constructivisten van 1920-1930 sterker hadden gestaan als zij een nieuwe architectuur en steden hadden gecreëerd waarmee hun nieuwe visie op de samenleving ondersteund werd. Zonder die nieuwe symbolen en representaties in steden, zo stelt Levebre, werden mensen voortdurend herinnerd en beïnvloed door de cultuur en visies van het verleden.
Wetenschappelijk onderzoek
In het wetenschappelijk onderzoek waarop dit artikel is gebaseerd, is onderzocht op welke wijze enterprisearchitecturen ontworpen en geëvalueerd worden (zie ook: http://repub.eur.nl/res/ pub/38077). Er is niet gezocht naar generaliserende bevindingen; een ontwerp wordt tenslotte altijd gecreëerd in een bepaalde context. Het onderzoek was in essentie een casestudie in de context van e-overheid. In het onderzoek werden twee casussen onderzocht: referentiearchitecturen uit de e-overheid en een enterprisearchitectuur van een publieke uitvoeringsorganisatie. Op basis van een expertpanel en een enquête is vastgesteld dat de resultaten van het onderzoek niet beperkt waren tot de grenzen van de casussen. Het onderzoek ging uit van het pragmatisme, dat wil zeggen dat theorie en praktijk aan elkaar gekoppeld worden.
Oorsprong enterprisearchitectuur
Een enterprisearchitectuur beschrijft een onderneming op het gebied van organisatiestructuur, bedrijfsprocessen, informatiesystemen, software en technische infrastructuren. Het beschrijft zowel de actuele en toekomstige organisatie en informatiesystemen. Het ondersteunt die transitie door het verstrekken van inzicht in de consistentie en de afhankelijkheden van de verschillende onderdelen van de onderneming. De discipline ontstond in 1980 door de toename van de complexiteit en grootte van informatiesystemen, de interfaces tussen en integratie van de gegevens en systeemcomponenten. In het vakgebied worden organisaties en informatiesystemen gezamenlijk beschouwd en ontworpen (Zachman 2008). Als wetenschappelijke discipline ontstond het rond 1990, onder andere als gevolg van de Clinger-Cohen wetgeving in Amerika (Cohen 1996). Het ontwikkelde zich sindsdien tot een veel toegepast vakgebied binnen organisaties en de overheid. In het vakgebied wordt gewerkt met perspectieven. Elk perspectief heeft een bepaalde invalshoek op een organisatie en haar informatiesystemen. Als het gaat om culturele en sociale aspecten van organisaties, dan is het perspectief van de medewerker het meest relevant. Vanuit het medewerkerperspectief kunnen sociale en culturele aspecten benoemd worden die voor hen, in hun werkzame leven, van belang zijn. Voorbeelden hiervan zijn mogelijkheden voor hen om diversiteit in het werk te hebben, mogelijkheden om zelf het werk te organiseren en uit te voeren. Voorbeelden van culturele aspecten zijn normen en waarden, en overtuigingen die in het werkzame leven een rol spelen. Deze kunnen worden ondersteund met behulp van symbolen. Welke sociale en culturele aspecten een rol spelen, daarvoor is het socio-technisch ontwerponderzoek van onder andere Emery, Trist, Mumford en Hertzberg toepasbaar. De aspecten die in het onderzoek gehanteerd zijn, vindt u in figuur 1 .
Figuur 1. Socio-technische ontwerpcriteria en eigenschappen van werktevredenheid
 
Beïnvloedende ontwerpfactoren
Uit onderzoek blijkt dat vrijwel geen van de in figuur 1 genoemde sociale en culturele aspecten van medewerkers onderdeel zijn van enterprisearchitecturen. Een tiental factoren blijkt hieraan ten grondslag te liggen ( figuur 2 ). Zij beïnvloeden de wijze waarop enterprisearchitecten sociale en culturele aspecten van organisaties beschouwen en door hen opgenomen worden in enterprisearchitecturen. Zoals blijkt uit figuur 2 zijn vijf van deze factoren toe te wijzen aan de enterprisearchitectuurdiscipline. De andere vijf hebben een bedrijfskundige reden. De factoren die gerelateerd zijn aan de enterprisearchitectuurdiscipline richten zich op het vakgebied zelf en de basishouding van enterprisearchitecten ten aanzien van de maakbaarheid van organisaties. De bedrijfskundige factoren richten zich op de opdrachtgevers en managers van ontwerpopdrachten. Zoals figuur 2 illustreert beïnvloeden deze factoren elkaar.
Figuur 2. Tien factoren die een socio-technische enterprisearchitectuur beïnvloeden
Beperkingen in ontwerpactiviteiten
Voor enterprisearchitecten geldt dat zij organisaties beschouwen als rationele en programmeerbare systemen. In ontwerpopdrachten richten zij zich vrijwel geheel op de samenhang en de integratie van functionele en technische aspecten van organisaties. Zij erkennen wel dat sociale en culturele aspecten van organisaties waardevol zijn. Maar deze aspecten krijgen nauwelijks aandacht in hun ontwerpactiviteiten. Ook erkennen ze enterprisearchitecturen niet als instrumenten om culturele waarden van organisaties te ondersteunen. Als gevolg daarvan kan een enterprisearchitectuur bij medewerkers onbedoeld de indruk wekken dat het management traditionele bureaucratische waarden nastreeft waarin medewerkers radertjes zijn in de organisatorische machine. Uit het verschil tussen de erkenning van enterprisearchitecten dat de sociale en culturele aspecten van belang zijn en hun daadwerkelijke toepassing ervan in hun ontwerpen is op te maken dat enterprisearchitecten beperkt worden om sociale en culturele aspecten van organisaties op te nemen in hun ontwerpen. De eerder genoemde tien factoren (zie figuur 2) leveren hier verklaringen voor. Net zoals de grondhouding van ontwerpers een rol speelt, zo speelt bijvoorbeeld ook de grondhouding van opdrachtgevers en managers ten aanzien van organisaties een belangrijke rol. Als zij uitgaan van de maakbaarheid en ordelijkheid van organisaties en haar sociale en culturele aspecten, dan heeft dat een direct effect op de inhoud van het uiteindelijke ontwerp, deze zal functioneel van aard zijn. Ook de opzet en inrichting van het ontwerpteam speelt een rol. Een ontwerpteam met daarin ook HR-medewerkers leidt tot een ander ontwerp dan een ontwerpteam met alleen ICT-professionals.
Levende architecturen
Deze spanning tussen functionaliteit en sociale en culturele waarden van een architectuur is ook aanwezig bij traditionele architectuurbenaderingen. Dit was bijvoorbeeld een belangrijke reden voor de weerstand tegen de zuiver functionele benadering van architecten als Le Corbusier en Frank Lloyd Wright, en de rationalistische ontwerpmethode van Viollet-le-Duc (Hearn 2003 p. 189). Louis Sullivan, de schepper van de functionele architectuurstijl, gaf aan dat het ontwerp van een gebouw altijd en uitsluitend wordt gedreven door de functionaliteit van het gebouw: ‘Form ever follows function’. Het argument tegen deze pure functionele architectuurstijl was dat deze stijl de culturele betekenis en symbolische uitdrukkingskracht van architectuur negeerde. De kritiek was dat een zuivere rationele architectuur zo gericht was op functionaliteit dat de architecturen aanvoelden en eruit zagen als machines. De stijl ging voorbij aan de sociale en culturele aspecten van gebouwen en steden. In een beroemde open brief van Anne Choi getiteld ‘Dear architects, I am sick of your shit’ beschrijft zij haar afschuw ten aanzien van deze architectuurstijl (Choi 2007). Andere belangrijke critici van de pure rationele benadering van architecturen waren bijvoorbeeld Jane Jacobs en Christopher Alexander. Jane Jacobs gaf aan dat een gebouw niet een set van muren is en dat een stad geen verzameling van gebouwen is die puur en alleen door de functie kan worden ontworpen. Jacobs definieerde een stad als een ecosysteem waarin fysieke, economische en ethische processen actief zijn en waarin diversiteit essentieel is voor overleving. Haar belangrijkste punt was dat stadsplanning zo gedreven was door functionaliteiten dat het de bewoners uiteindelijk vervreemdde van hun buurt. Volgens haar leidde dit uiteindelijk alleen maar tot verval. Christopher Alexander vatte zijn kritiek samen in een artikel genaamd ‘A city is not a tree’. In dit artikel stelde hij dat ontwerpers niet in staat zijn om de complexe essentie van een levende stad te plannen en in een ontwerp te vatten, met als gevolg dat er kunstmatige ‘levenloze’ structuren ontstaan omdat het de interactie tussen mensen en hun natuurlijke en fysieke omgeving negeert.
Functionele architectuurstijl
Levenloos, zo zouden de architecturen van rationele enterprisearchitecten ook genoemd kunnen worden. Immers, in de enterprisearchitectuurwereld blijkt dat het ingenieursperspectief dominant is. Zowel ontwerpers, opdrachtgevers als degenen die het ontwerpproces managen blijken de pure functionele architectuurstijl te prefereren. Maar vanuit het perspectief van de medewerker leidt een socio-technische architectuurstijl tot een hogere kwaliteit van ‘leven’ in organisaties. Functionele enterprisearchitecturen en rationele architectuurmethodieken geven daar nauwelijks ruimte voor. Het ontbreken van aandacht in het enterprisearchitectuurvakgebied om de culturele waarden van enterprisearchitecturen voor organisaties in ogenschouw te nemen, versterkt dit. Er zijn bijvoorbeeld geen kwaliteitscriteria in het vakgebied die gericht zijn op sociale en culturele organisatieaspecten in ontwerpen. Dit terwijl Mumford daar meer dan dertig jaar geleden al relevante criteria voor informatiesysteemontwikkeling benoemd heeft. Aandacht voor sociale en culturele aspecten van organisaties is tenslotte beperkt omdat er een gebrek aan aandacht is voor de evaluatie van enterprisearchitecturen met betrekking tot de sociale en culturele context waarvoor die gemaakt is.
Socio-technische ontwerpen
In de traditionele architectuurwereld is een soort ‘socio-technische’ ontwerpbenadering bekend. Daarin worden culturele elementen en symbolische doeleinden van het gebouw in het voortraject van een architectuurprogramma geanalyseerd. Dit om de aandacht expliciet te richten op culturele en symbolische betekenis in de architectuur (Hearn 2003 p. 323-325). In dit voorstadium wordt de culturele context van de architectuur expliciet benoemd en vastgesteld, in overleg met de opdrachtgever. Alle sociale, politieke en culturele implicaties worden dan beschouwd. Op die manier is het voorafgaand aan het ontwerp duidelijk welke waarden de architectuur moet communiceren. In deze context spreekt Lefebvre bijvoorbeeld over de functionele, sociale en
mentale ruimte die ontworpen moeten worden. Hij voegt ‘tijd’ ook toe als ontwerpdimensie, omdat culturele en sociale waarden veranderen met de tijd.
Toevoegingen aan ontwerpmethoden
Analoog aan deze socio-technische architectuurbenaderingen in traditionele architectuur, kan ook de enterprisearchitectuurdiscipline socio-technische ontwerpbenaderingen verder omarmen. Tijdens de start van een ontwerptraject kunnen de sociale en culturele waarden van de organisatie worden opgenomen in een raamwerk, vergelijkbaar met figuur 1, dat tijdens het ontwerp gehanteerd wordt om te bepalen in hoeverre de aspecten beschouwd en opgenomen zijn in de enterprisearchitectuur. Het model met de tien factoren (zie figuur 2) kan ook in de initiatiefase van een ontwerp gehanteerd worden. Zij ondersteunen tenslotte in de bepaling in hoeverre sociale en culturele aspecten van een organisatie zullen en kunnen worden meegenomen in de ontwerpactiviteiten. Achteraf kan met behulp van een evaluatiemethode bepaald worden in welke mate het ontwerp de sociale en culturele aspecten uit het raamwerk in zich heeft (Meijer 2012 p. 192). Met behulp van een rapportage kan dan expliciet gemaakt worden in hoeverre deze sociale en culturele aspecten zijn onderzocht en onderdeel waren van ontwerpactiviteiten, en in welke onderdelen van de architectuur zij zijn opgenomen (Meijer 2012 p. 168-171).
De blinde vlek
Met deze toevoegingen aan enterprisearchitectuurontwerpmethoden kan de kwaliteit van de architectuur worden vergroot vanuit het perspectief van de medewerker. Deze toevoegingen ondersteunen de socio-technische enterprisearchitect in het analyseren en opnemen van sociale en culturele aspecten van organisaties in enterprisearchitecturen. Of hiermee verwarrende demonstraties (zoals aan het begin van dit artikel geschetst) helemaal tot het verleden behoren? Dat valt nog te bezien. Deze blinde vlek van enterprisearchitecten, managers en opdrachtgevers was de afgelopen decennia erg hardnekkig. Toch kunnen deze toevoegingen een stapje vooruit zijn, zodat ook voor enterprisearchitecturen de opvatting van Philip Johnson gaat gelden: ‘All architecture is shelter, all great architecture is the design of space that contains, cuddles, exalts, or stimulates the persons in that space.’
 
Dr. Sander Meijer is teamleider enterprisearchitectuur bij NS. E-mail: sanderacmeijer@hetnet.nl
Literatuur
A. Docters van Leeuwen (2009). Wederzijdse gijzeling in machteloosheid, of de As van het Goede?: 8.
Alexander, C. (1965). “A city is not a tree.” Architectural forum 122: 58-62.
Algemene Rekenkamer (2008). Lessen uit ICT-projecten bij de overheid; Deel B, Algemene rekenkamer: 111.
Cherns, A. (1987). “Principles of sociotechnical design revisi-ted.” Human Relations 40(3): 9.
Choi, A. (2007). Dear architects I Am Sick Of Your Shit. PIDGIN. Princeton, Princeton University School of Architecture. 2: 266-269.
Clegg, C. W. (2000). “Sociotechnical principles for system design.” Applied Ergonomics 31: 463-477.
Cohen, C. (1996). Clinger Cohen Act of 1996, Title 40. U. S. House. 104-106, Division E.
Emery, F. E. (1978). The emergence of a new paradigm of work, Centre for Continuing Education.
Frissen, V. (2007). ICT en maatschappelijke innovatie: Van pijplijn naar open netwerken. Den Haag, Ministerie van Economische Zaken.
Frissen, V., M. van Staden, et al. (2008). Naar een ‘User Generated State’? De impact van nieuwe media voor overheid en openbaar bestuur. Den Haag, TNO / Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: 74.
Hearn, F. (2003). Ideas That Shaped Buildings. Cambridge, Massachusetts, The MIT Press.
Herzberg, F. (1968). “One more time: How do you motivate employees.” Harvard Business Review 46(1): 53-62.
Jacobs, J. (1993). The Death and Life of Great American Cities, Random House. Lefebvre, H. (1991). The Production of Space. UK, Blackwellpublishing.
Lefebvre, H. (1991). Social Space. The Production of Space: 155.
Meijer, S. (2012). Enterprise Architectures and organizations Analysing and designing their social and cultural interactions. PhD PhD, Erasmus universiteit.
Mumford, E. (1983). Designing Human Systems for New Technology: The ETHICS Method, Manchester Business School: 108.
Mumford, E. (2006). “The story of socio-technical design: reflections on its successes, failures and potential.” Information Systems 16(4): 317-342.
Naghib-Bukman, S., Ed. (2011). Web 2.0 & Social Media – Kansen voor de publieke sector? Papernote nr. 33. Den Haag, Sdu uitgevers.
O’Reilly, T. (2005). What is Web 2.0. tim@oreilly.com, O’Reilly Media, Inc.: 16.
Postma, J. and J. Wallage (2007). Het uur van de waarheid.
Schnabel, P., S. Keuzenkamp, et al. (2004). In het zicht van de toekomst. Sociaal en Cultureel Rapport 2004. Den Haag, SCP.
SER (2006). Voorkomen arbeidsmarktknelpunten collectieve sector. Den Haag, SER: 101.
SVB (2009). Jaarverslag. Amstelveen.
Trist, E. (1981). “The evolution of socio-technical systems.” The Journal of the Royal College of General Practitioners 2: 67.
Vitruvius, P. ( 2005). Ten Books On Architecture.
Zachman, J. A. (2008) “The Zachman Framework™: The Official Concise Definition “.
 
 
 
 
ef /aktrmkb201an/k3rmas’k(1936),k CoinlrakCoiplr/

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag