Sociale innovatie

Sociale innovatie: Informatie- en kennisintensieve dienstenmaatschappij
Onze samenleving bevindt zich in transitie. In deze transitie spelen sociale innovaties en de mogelijkheden van ICT een belangrijke rol en dit heeft gevolgen voor denk- en werkwijzen van informatieprofessionals en hun competenties. Dit artikel zet uiteen wat sociale innovatie is en wat het relevant maakt voor informatieprofessionals.
Er bestaan verschillende omschrijvingen van sociale innovatie waarvan er een aantal zijn opgenomen in het kader. De overeenkomst tussen deze definities is dat sociale innovatie gaat over vernieuwingen in maatschappelijke domeinen, gebruikmakend van bestaande en nieuwe middelen (resources) waarin hedendaagse sociaal-maatschappelijke doelen, normen en waarden worden nagestreefd. Daarmee sluit sociale innovatie aan bij de algemene gedachte dat in innovatie niet zozeer het vernieuwende interessant is (wat nieuw is, is altijd relatief ten opzichte van het oude en de doelgroep), maar het veranderende. Innovatie gaat over veranderende interpretaties van heden en toekomst, veranderende inzet van middelen en veranderende normen, waarden of (ongeschreven) regels (de Vries, 2014). Een beetje afhankelijk van de professionele en wetenschap-pelijke achtergrond van de definitie van sociale innovatie, staat vernieuwing van sociaal-maatschappelijke instituties, verbetering van sociale relaties (voor achterblijvende groeperingen), betrokkenheid van de civil society of wat kan worden bereikt met technologische toepassingen centraal.
Spanning
Sommige definities zijn wat uitgesprokener over welke doelen moeten worden bereikt, andere laten dit meer in het midden liggen. Daarin schuilt het spannende van sociale innovatie. Wat hedendaagse maatschappelijke doelen, normen en waarden zijn die moeten worden nagestreefd, is een politiek kwestie en daarover bestaat geen uitgekristalliseerd overeenstemming. Vereist duurzaamheid bijvoorbeeld per definitie zonne-energie of is spaarzaam gebruik van fossiele brandstoffen ook een weg naar duurzaamheid? Vereist democratische toegankelijkheid van kennis open source en open content of is democratische toegankelijkheid van kennis überhaupt wel een nastrevenswaardig doel?
Deze twee voorbeelden brengen ook direct een tweede spanning in sociale innovatie aan het licht: veranderende inzet van middelen. Een beweging van fossiele brandstoffen naar zonne-energie vraagt om andere inzet van geld, opbouw van kennis, veranderende wetgeving, andere instituties, et cetera. Dit terwijl bestaande investeringen in fossiele brandstoffen nog moeten worden uitgenut en ook gewoon doorgaan omdat onze samenleving (nog) niet zonder kan. Twee maatschappelijke systemen tegelijk financieren is duur, met het risico dat het dominante bestaande systeem waarover twijfels bestaan, toch overeind blijft.
Sociale innovaties zijn dus over het algemeen nieuw en verstorend voor heersende routines en structuren in ons welvaartssysteem (Evers, Ewert & Brandsen, 2014). Tegelijk kan ons welvaartssysteem gezien worden als opeenvolgingen van sociale innovaties (Evers e.a., 2014). De toen vooruitstrevende wetten Drees waren dus ook al sociale innovaties. In de huidige transitiefase waarin onze samenleving zich bevindt, ondervinden we een zekere defragmentatie en verminderde relevantie van grote welvaartsinstituties enerzijds, en de opkomst van diverse lokale initiatieven anderzijds (Evers e.a., 2014).
Sociale innovaties verschijnen in diverse vormen en sectoren. In een recente studie naar voorbeelden van sociale innovatie in de EU ontdekte Everts e.a. (2014) drie typen van sociale innovatie die veelvoorkomend zijn.
• Innovaties die integratie van burgers met een ruime afstand tot de arbeidsmarkt mogelijk maken. Twee voorbeelden in Nederland zijn Authentict en Noxqs waarin mensen met een vorm van autisme hun talenten inzetten in de ICT.
• Participatieve- of communityvormen ter bevordering van de leefbaarheid van wijken of huizenblokken. Een voorbeeld is mijnbuurtje.nl dat streeft naar wijkverbinding, onder andere via online dorpspleinen.
• Uiteenlopende ondersteunende diensten voor gezinnen. Een voorbeeld van een internetinitiatief is wehelpen.nl, waarin talloze hulpvragen van burgers worden gekoppeld aan mensen die deze hulp willen bieden, een vorm van burger-totburger-dienst.
Naast deze veelvoorkomende typen van sociale innovaties zijn er nog vele andere voorbeelden, waarvan er verschillende zullen worden genoemd in de artikelen van dit themanummer.
Informatieprofessional
De voorbeelden en de term digitale sociale innovatie tonen al de relevantie voor informatieprofessionals. Sociale innovatie brengt veranderingen in maatschappelijke domeinen als zorg, welzijn, onderwijs, veiligheid, et cetera en leidt tot koppelingen tussen traditioneel gescheiden publieke en private domeinen. Veiligheid bijvoorbeeld, ligt al lang niet meer alleen op het bordje van justitie en politie maar vraagt om betrokkenheid van Belastingdienst, banken, woningbouwverenigingen, transportbedrijven, evenementen organisatoren, et cetera. Daarmee is sociale innovatie dus relevant voor informatieprofessionals werkzaam in dergelijke domeinen. Sociale innovatie wordt bovendien mogelijk gemaakt door toepassingen van ICT en is daarmee relevant voor informatieprofessionals die sociaal-maatschappelijk betrokken zijn en hun vakgebied willen inzetten voor het verbeteren van onze samenleving. Sociale innovatie brengt ook andere toepassingsdomeinen van ICT en vraagt om andere ontwikkel-en ontwerpmethoden. Een drietal papers in dit themanummer gaan hier nader op in. Op pagina 30 (De Vries) wordt design thinking als ontwerpkader voor participatieve betekenisgeving aan complexe maatschappelijke vraagstukken
geïntroduceerd. Het artikel op pagina 36 (Van Turnhout e.a.) gaat in op hoe verleidingstechnieken gebruikt kunnen worden als niet het systeem de gebruiker moet verleiden, maar de gebruikers elkaar moeten verleiden via het systeem. Op pagina 44 bepleit Dirksen uitbreiding van interactiedesign tot collectieve interactiedesign waarin de interactie wordt ontworpen conform hoe groepen van mensen daadwerkelijk interacteren. Zowel Van Turnhout e.a. als Dirksen verschuiven de focus van interactieontwerp van de gebruikelijk mens-systeem-interactie naar groep-systeem-interactie. Sociale innovatie gaat onder andere over groepscohesie en dan is het gevolg dat we ontwerp moeten aanpassen aan groepsinteractie en -participatie en collectieve betekenisgeving.
Kennisintensieve dienstenmaatschappij
Sociale innovatie moeten we zien in de context van onze kennisintensieve dienstenmaatschappij waarin zo’n 80 procent van het bruto nationaal product in Westerse economieën wordt gegenereerd uit dienstverlening. Ook de ICT-sector zelf is een dienstverlenende sector en organisaties in het maatschappelijk domein hebben overwegend een dienstverlenend karakter. Dienstverlening is de afgelopen jaren steeds informatie- en kennisintensiever geworden, of wellicht kun je beter zeggen dat de mogelijkheden en beperkingen van ICT ons hebben laten inzien hoezeer diensten informatie-intensief zijn. Wat ik bedoel is dat bijvoorbeeld de zorg- of bankensector ook decennia geleden al veel informatie verwerkte, maar we er toen niet naar keken als informatieverwerkende industrie. Het middel ICT heeft ons gedwongen er zo naar te kijken.
In onze informatie-en kennisintensieve dienstenmaatschappij werken organisaties in netwerken om hun middelen te combineren en daarmee tot diensteninnovatie te komen. ICT biedt daarbij belangrijke innovatiemogelijkheden (De Vries, 2006). Dit wordt ook wel de dienstendominante innovatielogica genoemd (Vargo & Lusch, 2004; Lusch & Nambisan, 2015). Uit deze logica is een nieuwe wijze van kijken op innovatie met ICT voor alle economische activiteiten ontstaan (productie van goederen, commerciële en maatschappelijke dienstverlening). Sociale innovatie volgt de lijnen van deze dienstendominante logica. Om sociale innovatie en de mogelijkheden van ICT hierin goed te kunnen duiden, presenteer ik hier de hoofdlijnen van deze logica en interpreteer ik sociale innovatie in dat kader.
Ruilen van diensten
Uitgangspunt is het economisch beginsel dat diensten worden geruild voor diensten (Bastiat, 1848). In al deze diensten exploiteren mensen de middelen die ze tot hun beschikking hebben (tijd, competenties, geld, grond, energie, et cetera). Bovendien wordt de waarde van een dienst beleefd in het gebruik ervan. Daarin waardeert de gebruiker de middelen die de dienstverlener hem ten dienste stelt (Vargo & Lusch, 2004). Producten zijn in deze logica gestolde diensten, waarin de dienst ‘iets maken voor een ander is’ en de middelen die worden ingezet om iets te maken in de materialiteit van het product, zijn ‘gestold’. Producten zijn slechts media/toestellen om een dienst te leveren (Lusch & Nambisan, 2015). In dit licht moeten software en hardware ook worden gezien. Hiermee kun je iets maken (3D-printing) of verwerken (data).
Aansluitend op voorgaande punten zijn diensten actor-actor-netwerken (Lusch & Nambisan, 2015). Het is bekend uit de dienstenmarketing dat de beleving van dezelfde dienst verschillend kan zijn en dat dit afhankelijk is van de ervaring en competenties van de klant die mee produceert in de dienstverlening. De ene klant begrijpt bijvoorbeeld onmiddellijk de ICT-helpdesk en kan zijn vaardigheden inzetten om gezamenlijk het probleem op te lossen, terwijl de ander zich tamelijk hulpeloos toont. Dit impliceert dat klanten altijd (ook in productgebruik) competenties nodig hebben om een dienst tot waarde te laten komen in het gebruik. Conceptueel gezien produceren dus beide partijen. Spreken in termen van klant en leverancier beperkt ons beeld. Het reduceert de klant tot passieve consument en beperkt dienstverlening tot uitwisselingen waarin sprake zou zijn van klant-leveranciersrelaties. Het is beter te denken in termen van actor-actor-netwerken. Daarmee komt de grote verscheidenheid aan wederzijdse uitwisseling van competenties in onze informatie- en kennisintensieve diensteneconomie in beeld. Dit schept ruimte om te denken over sociale innovaties als zijnde het creëren van actor-actor-netwerken waarin betaalde en onbetaalde wederzijdse dienstverlening wordt geregeld, zoals bijvoorbeeld in zorgcorporaties waarin mensen elkaar zorg verlenen. Hier worden dus typisch economische begrippen als organisatie, producent en consument losgelaten en ontstaat ruimte voor andere vormen van uitwisseling dan louter tegen geld (zoals tijd tegen tijd of tijd tegen aandacht, et cetera). Het moge duidelijk zijn dat ICT diverse soorten actor-actor-netwerken ondersteunt en mogelijk maakt, denk bijvoorbeeld aan de opensource-beweging of aan vormen van tijdsbankieren.
Vloeibaarheid resources
In onze diensteneconomie is een hoge mate van vloeibaarheid van middelen (liquefaction of resources) aan het ontstaan (Normann, 2001). Hierin wordt de informatiecomponent losgekoppeld van de fysieke component. Fysieke en virtuele waardeketen komen los van elkaar (Rayport & Sviokla, 1995). Een klassiek voorbeeld is de giralisering van geld waarin het saldo van uw bankrekening is losgekoppeld van een fysieke hoeveelheid bankbiljetten. Met Bitcoins en tijdbanken ontstaan recent verdere ontkoppelingen. Open design tools (zoals CAD/CAM-systemen), open repositories van ontwerpen en open 3D-printing ontkoppelen ontwerp en productie van het fysieke product en de fabriek. MOOC’s, webinars en wiki’s ontkoppelen onderwijs van het leslokaal en van onderwijzers. De trend van ‘quantified self’ ont koppelt monitoring van lichamelijke functies van medische dienstverlening. Door de ontkoppeling van fysieke middelen wordt de verplaatsing en deelbaarheid veel groter en makkelijker. Natuurlijk komt daar een nieuwe fysieke koppeling voor in de plaats, namelijk die met computers en net
werken. Eigenlijk is dus sprake van herkoppeling van informatie en kennis van minder liquide naar meer liquide materialiteit.
Door deze herkoppeling komen bestaande industriële logica’s ter discussie te staan. Doen fysieke landkaarten en atlassen er nog toe in de huidige wereld? Verwordt de auto-industrie van mechanische tot digitale industrie met een focusverschuiving van verkeersveiligheid naar (software)beveiliging? Wat blijft er over van het businessmodel van onderzoeksinstellingen, universiteiten, scholen, bibliotheken, archieven, musea en uitgeverijen in een wereld van open acces, open source, open content, open knowledge en MOOC’s? Veel instituties ontlenen hun waarde aan bestaande wereldbeelden en daarbij passende kennis en informatie accumulaties. Als concurrerende kennis buiten bestaande institutionele kaders wordt opgestapeld en wordt ingezet in andere diensten, ontwricht dat bestaande instituties en kan beëindiging het gevolg zijn. De eens zo machtige ambachtsgilde die eeuwenlang kennis, vakmanschap en legitimiteit vertegenwoordigden zijn daar een historisch voorbeeld van. Dit is wat wordt aangeduid met transitie. De toenemende vloeibaarheid van middelen maakt veel anders en bedreigt bestaande logica’s. Stel u voor wat de combinatie van navigatiesoftware, sensoren in voortuigen en wegen en zelfsturende auto’s betekenen voor de hele wegeninfrastructuur en bijpassende wet- en regelgeving… verkeersborden zijn zó jaren vijftig.
Combinatie van middelen
Toename van vloeibaarheid van middelen maakt het ook makkelijker om deze te (her)combineren (Lusch & Nambisan, 2015). Innovatie is in belangrijke mate het combineren van middelen (Arthur, 2009). Dit betreft bestaande resources en nieuwe resources. ICT biedt hier twee innovatieve mogelijkheden: reductie tot kleinst reproduceerbare eenheden en configuratie.
ICT maakt het mogelijk om middelen economisch rendabel aan te bieden in hun kleinst reproduceerbare eenheid (de Vries, 2003). Verzekeringen kunnen worden teruggebracht tot een dekking voor een risico voor een tijdseenheid en maken daarmee microverzekeringen mogelijk, maar ook uiteenlopende maatwerkpakketten. Andere voorbeelden van kleinst reproduceerbare eenheden zijn ‘stock keeping units’ in de logistiek, algoritmes, API’s of objecten in programmeren, service calls in ICT-services of facility services, genen (van bijvoorbeeld zaden) in de bioindustrie, minuten in juridische dienstverlening, et cetera. Deze worden ontkoppeld van het fysieke en gerepresenteerd in ICT. Dit maakt een grote variatie aan combinaties mogelijk. Diensteninnovatie wordt vrijwel oneindig (Lusch & Nambisan, 2015).
De tweede innovatieve mogelijkheid die ICT biedt, zijn de combinatieve, configuratieve potenties van ICT. ICT biedt mogelijkheden om de vloeibaar wordende middelen op diverse granulatieniveaus te verbinden tot nieuwe configuraties. API’s, ontologieën en algoritmen maken verbindingen op kleine niveaus mogelijk, dienstenspecificatie hulpmiddelen verbinden op moduleniveau (bijvoorbeeld het digitaal samenstellen van uw maatwerkreis door Kenia of uw aandelenportefeuille). Virtual breeding environments verbinden organisaties in logistieke netwerken (Afsarmanesh e.a., 2009). ICT biedt dus ultrasnelle, real-time combi-natiemogelijkheden om tot nieuwe configuraties van middelen te komen. In sociale innovatie biedt ICT dus de mogelijkheid om diensten die door commerciële aanbieders (privaat gefinancierd), mantelzorg (vrijwilligerswerk), publieke dienst-verleners (publiek gefinancierd) en maatschap - pelijke dienstverleners (hybride gefinancierd) te combineren tot een op maat gesneden zorgarrangement in bijvoorbeeld zorgportalen. Denk hierbij aan combinaties van ‘self quantified’-appa ratuur en ‘do it yourself’-care, mantelzorg, uitkeringen voor extra zorg door gemeenten, behandelingen van artsen, et cetera.
Dienstenecosystemen
Met behulp van internet en ICT ontstaan dus steeds meer portals, sociale media of breeding environments die actor-actor-netwerken
ondersteunen en middelen bij elkaar brengen tot uiteenlopende configuraties. De algemene term hiervoor zijn service-ecosystemen. Een service-ecosysteem is een relatief zelf bevattend en zichzelf aanpassend systeem van losjes gekoppelde sociale en economische actoren die hun middelen integreren in dienstenuitwisseling door middel van gedeelde institutionele logica en wederzijdse waardecreatie (Lusch & Nambisan, 2015). ICT biedt hierin de mogelijkheid om middelen en waarden te delen (tijd via tijdsbankieren, geld via giro of bitcoins, aandacht via likes). ICT biedt ook de mogelijkheid om via koppelingsmechanismen bepaalde institutionele logica’s te implementeren… een afsprakensysteem te implementeren. Voorbeelden daarvan zien we bijvoorbeeld in opensource-communities waarvan het nodige is te leren voor andere ecosystemen. Een onderdeel van een dergelijk afsprakensysteem is de openheid van het ecosysteem, zowel wat betreft aansluitbaarheid van personen (open access), dienstverleners (open markt) als van technische systemen (open source).
 
KADER: Omschrijvingen van sociale innovatie
• Een nieuw idee dat werkt en waarmee sociale doelen worden bereikt (Mulgan, 2012).
• Sociale innovatie is een veranderingsproces dat voortkomt uit de creatieve recombinatie van bestaande middelen om sociaal herkende doelen te bereiken langs nieuwe wegen. Deze middelen kunnen variëren van sociaal kapitaal tot cultureel erfgoed en van traditioneel vakmanschap tot nieuwe geavanceerde technologieën (Manzini, 2013).
• Sociale innovatie kan een product of dienst zijn, net als iedere innovatie, maar kan ook een principe, idee, wetgevingsvoorstel, een sociale beweging of een interventie of combinatie van deze zijn, zolang deze voldoet aan sociale behoeften en nieuwe sociale relaties creëert (Bjögvinsson, Ehn & Hillgren, 2012).
• Sociale innovatie is een methode voor de ontwikkeling van kennis, beleid en gemeenschappen rond vijf beleidsdimensies: 1) reactie op sociale uitdagingen; 2) gericht op kwetsbare of buitengesloten groepen; 3) gebruik van de burgermaatschappij als participatieve belangengroep; 4) vernieuwende vormen van bestuur; en 5) versterkend voor de sociale economie (European Commission, 2013).
• Digitale sociale innovatie is een vorm van sociale en samenwerkende innovatie waarin vernieuwers, gebruikers en communities samenwerken, gebruikmakend van digitale technologieën om kennis en oplossingen te creëren voor een breed spectrum aan sociale behoeften op een schaal en in een tempo dat ondenkbaar was voor de opkomst van internet (Bria et al., 2015).
 
 
 
Conclusie
De dienstendominante logica zien we terug in sociale innovatie, waarin diensten die voorheen ‘in silo’s’ werden aangeboden, worden gebundeld in vaak lokale netwerken of ecosystemen, worden gekoppeld aan vrijwilligerswerk of buurtinitiatieven, op maat worden geleverd en worden aangepast aan de levensomstandigheden van de cliënt en waarin participatie van burgers in het maatschappelijk leven wordt bevorderd (Evers et al., 2014). Het idee van dienstenuitwisseling in actor-actornetwerken en innovatie door de combinatie van middelen, opent allerlei vormen van uitwisseling: tussen burgers (in rollen als patiënt, vrijwilliger, werknemer, sociaal ondernemer, et cetera) of tussen burgers en publieke, maatschappelijke en commerciële organisaties. Deze uitwisseling kan plaatsvinden in ecosystemen en worden gefaciliteerd door software waarmee je verschillende resources kunt combineren. In die uitwisseling hoef je waarden niet alleen uit te drukken in geld, maar kan dat ook in tijd (tijdsbanken) of in wederdiensten/ruil. Dit opent een scala aan sociale innovaties en dat proces is volop in gang. Informatieprofessionals moeten dus niet langer denken in termen van het implementeren van (grote) ICT-systemen in organisaties, maar ook aan het faciliteren van ecosystemen waarin burgers met of zonder organisaties sociale doelen nastreven, zich organiseren met behulp van ICT en ICT-platforms diensten- en waardenuitwisseling faciliteert. In dit themanummer zien we voorbeelden van digitale sociale innovatie (pagina 18, Kresin) en een concreet voorbeeld van ICT-toepassing voor gezondheidsbevordering in Wijchen (pagina 36, van Turnhout e.a.). Informatieprofessionals kunnen in de creatie van dit type systemen zelf ondernemend zijn. Ik bedoel daarmee niet het starten van een bedrijf, maar het ondernemen van maatschappelijke initiatieven waarin sociale waarden worden nagestreefd met de middelen en mogelijkheden die ICT biedt.
In voorgaande uitgaven van Informatie zijn strategische vaardigheden voor de informatieprofessional 3.0 beschreven. Ik roep vaardigheden die van belang zijn voor sociale innovatie in herinnering en voeg daar vaardigheden aan toe die voortvloeien uit dit artikel. Sociale innovatie vraagt om:
• reframing van vraagstukken (De Vries, Rijken, van Leeuwen & Reurings, 2013);
• het herkennen en formuleren van ‘management fashions’ als institutionele discourses (de Vries, 2013) en het formuleren van ‘organizing visions’ (de Vries, Panneman & de Bruijn, 2013);
• vaardigheden om vraagstukken te agenderen (de Vries & de Boer, 2014);
• vaardigheden om toekomstverkenning om te zetten in beleid (de Vries & Hogeboom, 2013);
• ontwerp van digitale technologieën om kennis en oplossingen te creëren voor een breed spectrum aan sociale behoeften en deze in te zetten voor het ruilen van diensten in actor-actornetwerken en het creëren van ecosystemen die deze netwerken mogelijk maken;
• het ontkoppelen van fysieke en virtuele waardeketens en het vloeibaarder maken van resources zodat deze buiten gebruikelijke institutionele
contexten kunnen worden aangewend en tot nieuwe combinaties van middelen leiden (onder andere door de creatie van kleinst reproduceer-bare eenheden en tools voor de configuratie van diensten);
• ontwerpbenaderingen waarin groepsinteractie en -participatie en collectieve betekenisgeving centraal staan (zie in dit themanummer de Vries (2015), Turnhout e.a. (2015) en Dirksen (2015)).
 
Erik de Vries (Erik.deVries@han.nl) is lector Innovatie in de Publieke Sector aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Hij is tevens lid van het kerndocententeam van de internationale Master Information Studies – program Business Information Systems van de Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Universiteit van Amsterdam.
 
Literatuur
Arthur, B. (2009). The nature of technology: what it is and how it evolves. New York: Free Press.
Afsarmanesh, H., Camarinha-Matos, L.M. and Msanjila, S. (2009). On management of 2nd generation virtual organization breeding environments, Annual Reviews in Control, 33, 209-219.
Bastiat, F. (1848). Selected essays on Political Economy (Reprint), Seymour Cain, trans., G.B. de Huszar (ed.). Princeton, NJ: D. Van Nordstrand.
Bria, F., Sestini, F., Gascó, M., Baeck, P., Halpin, H., Almirall, E. and Kresin, F. (2015). Growing a digital social innovation ecosystem for Europe. DSI final report. European Union.
De Vries, E.J. (2015). Design thinking voor sociale innovatie. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. December. Sdu.
De Vries, E.J. (2014). Innovatie voor maatschappelijke waarde. Intreerede HAN lectoraat Innovatie in de Publieke Sector, juni. Arnhem: HAN University of Applied Science Press.
De Vries, E.J. & B. den Boer (2014). Zo agendeer je ICT vraagstukken. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Maart. Sdu.
De Vries, E.J. (2013). Het stimuleren van absorptievermogen. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Oktober. Sdu.
De Vries, E.J., Rijken, D., Leeuwen, J. van & Reurings, B. (2013). Werk niet binnen kaders, sleutel aan kaders! Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Mei. Sdu.
De Vries, E.J. & Hogeboom, H. (2013). Hoe verweef je toekomstverkenning in beleid? Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. April. Sdu.
De Vries, E.J., Panneman, F. & de Bruijn, P. (2013). Samenwerkend innoveren in netwerken. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Maart. Sdu.
De Vries, E.J. (2006). Innovation in Services in Networks of Organizations and in the Distribution of Services. Research Policy, 35, 7: 1037-1051.
De Vries, E.J. (2003). ICT Enabled Distribution of Services: Service Position Strategy, Front Office Information and Multi-Channeling. PhD Thesis, Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
Dirksen, V. (2015). Sociaal ontwerp. Het ontwerpen van ‘sociaal-intelligente’ informatiesystemen. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. December. Sdu.
European Commission (2013). Guide to Social Innovation. Verkregen op 28-07-14, van:http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/presenta/social_inn... social_innovation_2013.pdf
Evers, A., Ewert, B and Brandsen, T. (eds.) (2014). Social innovations for social cohesion. Transnational patterns and apporoaches from 20 European cities. Liege: EMES European Research Network asbi.
Freeman, L., Caroll, G.R. and Hannan, M.T. (1983). The liability of newness: age dependence in organizational death rates. American Sociological Review, 48: 692-710.
Kresin, F. (2015). Digitale Sociale Innovatie. Hoe het internet wordt gebruikt voor sociale, maatschappelijke en ecologische duurzaamheid. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. December. Sdu.
Lusch, R.F. and Nambisan, S. (2015). Service innovation: a service-dominant logic perpsective. MIS Quarterly, 39, 1: 155-175.
Rayport, J. and Sviokla, J. (1995), Exploiting The Virtual Value Chain, Harvard Business Review, 73, 6: 75-85.
Van Turnhout K., Jeurens, J., Dreezens, E. en Bakker, R. (2015). Dansen in het donker!
Co-Creatie en Meta-Ontwerp voor een gezonder Wijchen. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. December. Sdu.
Vargo, S.L. and Lusch, R.F. (2004). Evolving to a new dominant logic for marketing, Journal of Marketing, 68, 1: 1-17.

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag