Wat onderzoekt de informatieprofessional 3.0?

Wat onderzoekt de informatieprofessional 3.0?
Algemeen wordt aangenomen dat beroepsbeoefenaren toegepast onderzoek zouden kunnen of moeten doen. Veel universitair opgeleide professionals hebben onderzoeksvaardigheden opgebouwd en ook op het hbo bekwamen studenten zich steeds meer in toegepast onderzoek. Maar wat is dat eigenlijk, ‘toegepast onderzoek’?
Erik de Vries
De term ‘toegepast onderzoek’ vindt zijn oorsprong in de tweedeling fundamentele en toegepaste wetenschap. Fundamentele wetenschap zou zich richten op grondbeginselen en basismechanismen. Het genereert kennis omwille van de kennis, zonder daarbij concrete toepassingen na te streven. Fundamenteel onderzoek is gebaseerd op vragen vanuit de wetenschap zelf. De toegepaste wetenschap daarentegen zou als doel hebben om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, bijvoorbeeld om een product, dienst, methode of techniek te ontwikkelen. Algemeen wordt onderkend dat er veel grijs gebied ligt tussen beide. Uiteindelijk zijn veel vormen van kennisontwikkeling gericht op de creatie van toepassingen.
De tweedeling tussen fundamentele kennis en toegepaste kennis gaat uit van een hiërarchie met drie componenten (Schön, 1991):
1. Een onderliggende discipline of fundamentele wetenschap waarop de praktijk rust en waaruit de praktijk kan worden opgebouwd.
2. Een toegepaste (ingenieurs)wetenschap waaraan diagnostische procedures en oplossingen voor problemen kunnen worden ontleend.
3. Houding en vaardigheden van de professional waarmee hij zijn klant bedient en gebruik maakt van de procedures en oplossingen van de toegepaste wetenschap die zijn gebaseerd op de grondbeginselen van de fundamentele wetenschap. Hierbij hoort natuurlijk een institutionele verdeling van arbeid en kennisuitwisseling. Grosso modo doen universiteiten en onderzoeksinstellingen het fundamentele onderzoek; doen technische universiteiten, hbo’s en TNO-achtige organisaties het toegepaste onderzoek; en passen beroepsbeoefenaren de uitkomsten van deze twee toe bij hun klanten. Wat betreft de uitwisseling van kennis worden beroepsbeoefenaren geacht interessante problemen aan te reiken voor het onderzoek en onderzoeksresultaten in de praktijk te testen op bruikbaarheid. Het moge duidelijk zijn dat in deze hiërarchie de generatie van fundamentele kennis hoger staat aangeschreven, waaraan meer status kan worden ontleend (Schön, 1991). Het moge ook duidelijk zijn dat in deze hiërarchie het traditionele conflict tussen koopman en academicus besloten ligt, waarin de academicus vindt dat de koopman zijn fundamenteel onderzoek moet financieren (bijvoorbeeld via belastingafdracht), terwijl de koopman zich afvraagt wanneer dat onderzoek tot praktisch en omzet genererend resultaat leidt.
Hiërarchie
Een cruciale aanname in deze hiërarchie is dat er sprake zou kunnen zijn van eenduidige kennisen probleemoverdracht. Niets is minder waar. De werkelijkheid houdt zich niet aan de disciplinaire indeling van academici. Praktijkvraagstukken zijn vaak een complexe verwevenheid waaraan meerdere disciplines en beroepsgroepen kunnen bijdragen. Neem bijvoorbeeld de decentralisatie van de Wmo, jeugdzorg en de Participatiewet die de overheid inzet. Het vraagstuk kent juridische, bestuurskundige, organisatiekundige en informatiekundige aspecten. Daarnaast spelen uiteenlopende sociale professies in de jeugdzorg, hulpverlening, zorg en arbeidsbemiddeling een belangrijke rol; die zij moeten gaan vervullen in een fundamenteel wijzigend maatschappelijke en organisatorisch kader. Ietwat gechargeerd zou bovenstaand hiërarchisch model impliceren dat al deze beroepsbeoefenaren de vraagstukken die zij zien ‘omhoog’ gooien in de hiërarchie naar ‘hun’ wetenschapsdiscipline (in het geval van alleen al de hulpverlening zijn dat er al vele).
Deze zouden na gedegen onderzoek terug komen met bewezen kaders voor het handelen. Alle beroepsuitoefenaars zouden vervolgens vanuit hun eigen disciplinair kader moeten gaan handelen. Dit proces duurt natuurlijk veel te lang. Bovendien is het nog maar de vraag of afstemming tussen de verschillende disciplines tot stand zou komen. Het ideale hiërarchische model werkt in de werkelijkheid dus niet en gaat bovendien voorbij aan situaties waarin mensen gewoon moeten handelen, of er nu een bruikbaar en bewezen (wetenschappelijk) kader is of niet. Bovendien veronderstelt bovenstaande hiërarchie dat sprake zou zijn van doelovereenstemming (binnen de hiërarchie en tussen disciplines), een veronderstelling die in veel maatschappelijke en organisatorische vraagstukken niet opgaat. Bovenstaande scheidslijn tussen fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek en de daarmee verbonden veronderstelling over arbeidsverdeling is wellicht conceptueel aantrekkelijk, maar gaat voorbij aan de werkelijkheid. In wetenschapsfilosofische zin is deze ontleend aan het positivisme (Schön, 1991), aan de filosofie dat er een kenbare wereld zou zijn bestaande uit wetmatigheden en dat mensen door gebruik te maken van deze wetmatigheden een ideale, rationele wereld zouden kunnen scheppen.
Deze opvatting is nog steeds herkenbaar in met name de bètawetenschappen, ingenieurswetenschappen, (bedrijfs)economie en ook de Information Systems-discipline die toepassingen van ICT in organisaties en samenleving bestudeert. Het zijn juist deze disciplines waaraan veel ICT-beroepsbeoefenaren hun kennis ontlenen. Er zijn dus veel ICT’ers en fundamenteel en toegepast onderzoekers die impliciet en dus onbewust redeneren volgens bovenstaande hiërarchie. Ook veel beleidsmakers en managers zijn onbewust opgegroeid met de indeling van deze hiërarchie en redeneren volgens dat patroon. De vraag is of deze redenatie nog wel vol te houden is in een tijd waarin het wetenschapsfilosofisch paradigma van de sociale wetenschappen het sociaal constructivisme is, ICT-toepassingen ook steeds meer sociale processen ondersteunen en toepassing van ICT dus vraagt om inzichten en vaardigheden uit de ingenieurswetenschappen én de sociale wetenschappen. In het vervolg van dit artikel ga ik uit van een sociaal-constructivistische kijk op de wereld.
Hierin wordt aangenomen dat mensen met elkaar de wereld construeren en dus ook met elkaar sociaal construeren welke kennis bruikbaar en valide is in hun situatie. Vanuit dit uitgangspunt reik ik alternatieve visies en daarbij behorende vaardigheden aan voor wat ik voor dit moment nog even ‘toegepast onderzoek’ noem.
De realiteit van beroepsproblemen
Maatschappelijke- en organisatievraagstukken ontstaan niet, ze worden sociaal geconstrueerd. Actoren vormen samen het vraagstuk. Zonder actoren zijn er geen vraagstukken (De Graaf en Hoppe, 1998; In ’t Veld, 2010). Dat impliceert dat vraagstukken gepercipieerd en opgesteld worden in de vakterminologie van de probleemsteller(s). Voor de Informatieprofessional 3.0 impliceert dit dat maatschappelijke- of organisatievraagstukken niet als informatiekundige vraagstukken worden gezien als hij daar zelf geen invloed op uitoefent. De door zoveel ICT’ers vurig gewenste business/ICT-alignment is dus een uitdrukking van het falen van ICT’ers om al bij de beginfase waarin vraagstukken worden gepercipieerd en gedefinieerd betrokken te zijn – reden te meer om dit concept voor altijd diep te begraven (zie Maes (2013)).
Mede als gevolg van toepassing van ICT en de toenemende medialisering heeft de wereld zich ‘verdicht’. We weten meer, we zien meer, verwerken sneller informatie, spreken meer mensen uit andere disciplines en zien meerdere verbanden. Verwevenheid, multidisciplinariteit, een veelheid van actoren en complexiteit worden sterker beleefd door actoren en zij definiëren vraagstukken dus ook in deze termen. In het verlengde hiervan wordt afnemende voorspelbaarheid van ontwikkelingen en gebeurtenissen beleefd. De wereld wordt niet langer ervaren als één van planmatigheid, voorspelbaarheid, maakbaarheid; één waarin vraagstukken in betrekkelijk isolement kunnen worden opgelost.
Schön (1991) verwoord kernachtig wat hieraan ten grondslag ligt. De werkelijkheid van praktijkvraagstukken is er volgens hem één waarin waarden, doelen, bedoelingen en belangen verschillen en conflicteren; heel herkenbaar voor informatieprofessionals. Niet zelden wordt bovendien om oplossingen gevraagd voor vraagstukken waarvan het toepassingsdomein zich niet eenvoudig laat doorgronden of waarvoor de technologische of organisatorische uitdaging groot is. Interessant in dit kader is de indeling van problemen van Hisschemöller en Hoppe (1998), opgenomen in figuur 1 . Voor gestructureerde problemen kunnen we ons nog voorstellen dat er een kader van toegepaste en fundamentele wetenschap is waarop we kunnen terugvallen. Voor problemen waarvoor geen consensus bestaat over normen/waarden/doelen of de voor het vraagstuk benodigde kennis wordt dit een stuk lastiger. Met name voor ongestructureerde problemen is dit onmogelijk. 
Figuur 1. Typologie van beleidsproblemen (Hisschemöller en Hoppe, 1998)
Ongestructureerde problemen worden ook wel ‘wicked problems’ genoemd. Veel auteurs betogen dat de hedendaagse politieke agenda’s vooral uit dit type vraagstukken bestaan. Wicked problems leiden vaak tot politieke onenigheid, besluiteloosheid of crisis. Volgens In ’t Veld (2010) is het dan zinvol om ontmoetingen te arrangeren tussen kennisdragers en beleidsmakers. Hierbij moet opgemerkt worden dat deze kennisdragers al lang niet meer alleen in de traditionele kennisinstituten werken.
Kennis is vergaand gedemocratiseerd en sociaal gedistribueerd (denk bijvoorbeeld aan de bundeling van kennis in sociale bewegingen, in de milieubeweging, in patiënten- en consumentenorganisaties, in overheidsorganisaties, in NGO’s of in allianties van hightech-ondernemingen en kennisinstituten). Bij ongestructureerde problemen is de rol van kennisdragers vooral die van probleemsignaleerder. De kennisdrager structureert het probleem vanuit zijn kennis. Omdat kennisdragers uit verschillende maatschappelijke instellingen kunnen worden betrokken, krijgen beleidsmakers zicht op overeenkomsten en verschillen in beschikbare kenniskaders en probleemsignaleringen en op de pluriformiteit aan waarden die in deze kenniskaders en dus in het wicked problem verscholen liggen. Wat In ’t Velds oproep tot ontmoetingen zo interessant maakt is dat hij hiermee volledig onderkent dat kennis contextgebonden is.
Hij sluit daarmee aan bij de constatering van Schön (1991, p. 49): ‘Knowing is in our action’. Het is het object waarop je gezamenlijk werkt in zijn context dat een beroep doet op kennis. Juist de probleemformulering, dat wil zeggen het proces waarin beslissingen worden genomen over het doel/de normen/de waarden die worden nagestreefd en de middelen die daarvoor worden ingezet, bepaalt het onderzoek. In ’t Veld (2010) spreekt over transdisciplinair onderzoek dat gaat over de inhoud én het proces van kennisproductie en dat streeft naar een mate van overeenstemming over een handelingsperspectief dat voldoende kennis herbergt en waarden borgt (In ‘t Veld, 2010).
Reflectie als startpunt
In zijn klassieke werk The reflective practitioner pleit Schön (1991) niet zozeer voor de vaardigheid van practitioners om technische kennis voortkomende uit de hiërarchie van fundamenteel en toegepast onderzoek te kunnen toepassen, maar voor het opbouwen van reflectieve vaardigheden, in de eerste plaats reflectie-in-actie (dus tijdens het handelen) en in de tweede plaats reflectie postmortem (dat wil zeggen in rust na de actie). Met name bij reflectie-in-actie is de hoofd-buik-handelingcoördinatie essentieel (Groen, 2006). Dit betreft het vermogen om te interpreteren wat er gebeurt, te voelen dat dit afwijkt van het verwachte/gangbare en vervolgens na te gaan wat er gaande is, alvorens te handelen.
Reflectie is het startpunt voor onderzoeksmatig handelen van professionals. Onderzoek gaat over het leren van discrepanties tussen intenties en uitkomsten (Mulder & de Vries, 2013). Zonder reflectie worden discrepanties niet zichtbaar en komt het leerproces niet op gang.
Het werk van Schön is niet kritiekloos ontvangen. Barnett (1997) merkt op dat Schöns beeld van de reflective practitioner te individualistisch is. Reflectie zou beperkt blijven tot het individu en te weinig de intersubjectieve kenmerken van de beroepsbeoefening betreffen. Het draagt daarmee dus te weinig bij aan sociale constructie van de (beroeps)werkelijkheid. Bovendien beschouwt Barnett Schöns opvatting van reflectie als instrumenteel. Barnett introduceert daarom de ‘critical professional’. De critical professional is in staat om onderling strijdige denkpatronen te kunnen hanteren; geen onnodige vaardigheid bij transdisciplinair onderzoek en ongestructureerde problemen, dat wil zeggen vraagstukken waarvan zowel doel/waarden/normen als oplossingskennis ter discussie staan. De critical professional oordeelt over deze onderling strijdige denkpatronen vanuit een eigen moreel kompas. Dit vraagt om professionele én persoonlijke ontwikkeling waarin hij betekenis geeft aan zichzelf als beroepsbeoefenaar en zijn eigen normen en waarden vormt. Vanuit dit moreel kompas mengt hij zich in de discourse van zijn vakgebied. Barnett ziet dit laatste bovendien meer als een plicht dan als een recht van de critical professional. Het is uiteindelijk deze discours waarin de critical professional kennis sociaal construeert, een proces dat inherent verweven is met waarden en ook uitnodigt tot reflectie op persoonlijk gevormde waarden.
Van onderscheid naar spectrum
Barnetts aanbevelingen voor de critical professional wijzen ons op het beperkte nut van het maken van onderscheid tussen fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en professioneel handelen. Zijn aanbevelingen aan de professional om onderling strijdige denkpatronen te kunnen hanteren, te oordelen vanuit eigen moreel kompas, je persoonlijk en professioneel te ontwikkelen en je vanuit eigen moreel kompas te mengen in de discourse van het vakgebied bevatten waarden die in de onderzoekswereld breed herkend worden, of dat nu om fundamenteel of toegepast onderzoek gaat. Barnetts aanbevelingen gelden dus voor alle drie groeperingen.
Vanuit sociaal-constructivistisch perspectief is het onderscheid tussen fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en onderzoekende professionals vooral een kwestie van discours, een kwestie van wie in welke context met elkaar een werkelijkheid construeren. Elke vorm van kennisopbouw en kennisgebruik kent zijn eigen context. Fundamenteel onderzoek kent bijvoorbeeld de context van academici, die in relatief afgeschermde onderzoekscommunities probleemstellingen en onderzoeksprogramma’s definiëren, kwaliteitscriteria ontwikkelen en toepassen, bepalen welke onderzoeksmethoden acceptabel zijn, hoe resultaten moeten worden geïnterpreteerd, welke manuscripten publicatiewaardig zijn en hoe middelen moeten worden ingezet. Dit alles wordt gedaan vanuit waarden die sociaal geconstrueerd zijn in de context van het wetenschapsbedrijf. Zoals beleidsmakers in hun eigen (politiek/maatschappelijk/organisatorische) context sociaal construeren welke waarden moeten worden nagestreefd en welke handelingsperspectieven daarbij passen, zo construeren academici in hun context waarden en handelingsperspectieven voor onderzoek.
Afhankelijk van de afstand van de onderzoeker of de onderzoekscommunity tot beleidsmakers, management of burgers is er meer of minder sociale constructie van onderzoeksaspecten (zoals probleemstellingen, middelentoewijzing, et cetera) door onderzoekers, opdrachtgevers en onderzochten gezamenlijk. Afhankelijk van deze afstand is er dus meer of minder sprake van co-existentie of uitonderhandeling van academische en maatschappelijke waarden. Toegepast onderzoek is dus niets anders dan onderzoek waarin academische en maatschappelijke waarden in enigerlei vorm van onderling onderhandelde mix worden nagestreefd. Overigens bevat ook onderzoek dat doorgaat voor fundamenteel, sociaal maatschappelijke waarden. Zo is de ruime inzet van middelen op fundamenteel onderzoek naar kankercellen in de afgelopen decennia niet gespeend van maatschappelijke waarden, onbedoeld of niet, bewust of onbewust. Hetzelfde geldt voor de recente constatering in de media dat de medische wetenschap meer kennis heeft opgebouwd over hart- en vaatziekten onder mannen dan onder vrouwen.
Uitersten
Het is dus zinvoller om te spreken van onderzoek waarin in meer of mindere mate sociaal maatschappelijke waarden naast academische waarden worden nagestreefd dan onderscheid te maken tussen fundamenteel en toegepast onderzoek en onderzoekende professionals. Academici die wetenschap bedrijven om de wetenschap en daarbij zo min mogelijk inmenging van sociaal maatschappelijke waarden nastreven zitten op één uiterste van het spectrum. Het andere uiterste van het spectrum wordt gevormd door methoden van zelfreflectie en introspectie waarmee professionals de discrepantie tussen intenties en uitkomsten van hun persoonlijk handelen onderzoeken en participatieve onderzoeksbenaderingen. In participatieve onderzoeksbenaderingen participeren mensen in de sociale omgeving die wordt onderzocht in de verschillende aspecten van het onderzoek (vraagstelling, methodebepaling, gegevensverzameling). Ik tracht hier het vreselijke woord ‘onderzoeksobject’ te vermijden (wie wil er nu onderzoeksobject zijn?). Participatieve onderzoeksbenaderingen geven dus methodische invulling aan sociale constructie van het onderzoek en de uitkomsten daarvan door alle betrokken groeperingen. Een veel gemaakte vergissing is dat wordt verondersteld dat de onderzoeker participeert in de praktijk van de onderzochten. Dat is onjuist, het zijn juist de onderzochten die mede onderzoeker worden en hun eigen praktijk onderzoeken, ondersteund door de onderzoeker. Participatief onderzoek maakt het mogelijk om meerdere onderling strijdige denkpatronen in het onderzoek te betrekken en professionals vanuit hun eigen moreel kompas te laten oordelen over deze denkpatronen om zich zo professioneel en persoonlijk te ontwikkelen en zich met de uitkomsten te mengen in het discours van hun vakgebied. Participatieve onderzoeksbenaderingen dragen dus bij aan de vorming van wat Barnett (1997) critical professionals noemt. Daarnaast dragen participatieve onderzoeksmethoden bij aan wat In ’t Veld transdisciplinariteit noemt. De door De Vries, Rijken, Van Leeuwen en Reurings (2013) aangehaalde Frame Creation Methode (Dorst, 2013) voor ‘design thinking’ is een voorbeeld van zo’n participatieve onderzoeksbenadering.
 
Vaardigheden
Inzicht in de aard van het onderzoek dat de Informatieprofessional 3.0 zou kunnen doen geeft ook inzicht in de daarvoor benodigde vaardigheden: 
• Hij kan de sociale constructie van probleemstellingen onderzoeken (hoe komen deze tot stand, wie beïnvloedt deze, in welke beroepsterminologie is deze opgesteld?). 
• Hij kan onderzoeken hoe het probleem zich manifesteert, als gestructureerd, matig, slecht of ongestructureerd? Waarom dit zo wordt beleefd en of er echt sprake is van verschillen in doel/ waarde/norm beleving of van disconsensus over oplossingskennis? 
• Met bovenstaande twee vaardigheden heeft de Informatieprofessional 3.0 de probleemstelling gecontextualiseerd. Dat contextualiseren blijft hij volhouden gedurende alle onderzoeksfasen, zoals middeleninzet, methodekeuze, interpretatie van uitkomsten en definitie van handelingsperspectieven. Participatieve onderzoeksbenaderingen geven hem hiertoe handvatten. 
• Hij ziet onderzoek als een van zijn handelingsperspectieven en traint zichzelf op reflectie in zijn handelen, reflectie wordt daarmee zijn handelingsrepertoire, bestaande uit reflectie-in-actie en postmortemreflectie. 
• Hij onderzoekt zijn eigen moreel kompas en stelt dit vanuit persoonlijke en intersubjectieve reflectie waar nodig bij, zodat hij onderling strijdige denkpatronen kan hanteren en zijn positie daarin kan bepalen. 
• Hij onderzoekt doorlopend zijn eigen vakgebied door zich te mengen in het discours van zijn vakgebied en geeft daarmee vorm aan intersubjectieve reflectie.
 
Erik de Vries is lector Innovatie in de Publieke Sector aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen en hoofddocent Business IT & Management aan de Haagse Hogeschool. Hij coördineert de serie artikelen over strategische vaardigheden van de Informatieprofessional 3.0 in Informatie en werkt voor dit project samen met NGI en de Academy for Information and Management. E-mail: Erik.deVries@han.nl
 
Literatuur
Barnett, R. (1997), Higher Education: A Critical Business. SRHE/Open University Press, Buckingham.
Dorst, C.H. (2013), Frame Creation Method, www.designingoutcrime. com, geraadpleegd op 20 augustus 2013.
Graaf, H. van de & Hoppe, R. (1996), Beleid en Politiek: een inleiding tot de Beleidswetenschap en de Beleidskunde, Bussum.
Groen, M. (2006), Reecteren: de basis. Op weg naar bewust en bekwaam handelen. Wolters Noordhoff.
Hisschemöller, M. & Hoppe, R. (1998), Weerbarstige beleidscontroverses: een pleidooi voor probleemstructurering in beleidsontwerp en analyse. In: Bouwstenen voor argumentatieve beleidsanalyse. Den Haag.
Maes, R. (2013), Grafrede business/IT alignment, Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Augustus. Sdu.
Mulder, B. & De Vries, E.J. (2013). Wat het betekent om onderzoekende professional te zijn. Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Juli. Sdu.
Schön, D.A. (1991), The Reective Practitioner. How professionals think in action. Basic Books, London. Veld, R.J. in ‘t (2010), Kennisdemocratie. Opkomend stormtij, Sdu Uitgevers, Den Haag.
Vries, E.J. de, Rijken, D., van Leeuwen, J. & Reurings, B. (2013). Vaardigheden voor de Informatieprofessional 3.0: Werk niet binnen kaders, sleutel aan kaders! Informatie. Maandblad voor de informatievoorziening. Juni. Sdu.

Tag

Onderwerp



Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag