Zorgdomotica in de ouderenzorg

Zorgdomotica in de ouderenzorg
De rol van technologie in de langdurige zorg neemt toe. Naast conventionele hulpmiddelen als hoog-laagbedden en rolstoelen zijn er diverse relevante vernieuwingen binnen de robotica (zoals elektronische gezelschapsdieren) en op het vlak van bouwkundige installaties die hun weg vinden richting de ouderenzorg en verpleeghuiszorg. De werelden van zorg en technologie hebben elkaar veel te bieden, zoals op het gebied van informatietechnologie in het algemeen en, als onderdeel van dat domein, zorgdomotica in het bijzonder. De auteurs gaan nader in op de rol van zorgdomotica in de ouderenzorg en de achtergronden bij de inzet.
Onze gemiddelde leeftijd is enorm toegenomen. Inmiddels leven we gemiddeld drie keer zo lang als een Romein in de klassieke beschaving. Dat we steeds ouder worden is geen geleidelijk proces geweest: de grootste winst in de gemiddelde levensverwachting ontstond pas in de achttiende eeuw. Verschillende oorzaken liggen ten grondslag aan deze toegenomen levensverwachting. Een belangrijke was de komst van riolering, waardoor, lang voordat de bacterie ontdekt werd, de hygiëne toenam en daarmee de sterfte door infectieziekten afnam. Door de industrialisatie trokken bovendien steeds meer mensen naar de stad, hetgeen sociale innovaties, ook op het gebied van de volksgezondheid, noodzakelijk maakte (Bakas, 2011; Mackenbach, 2010b).De gezondheidszorg zelf veranderde ook. De toegankelijkheid werd groter, maar ook de benadering ervan veranderde. In de negentiende eeuw werden ziekten voor het eerst op een systematische wijze geclassificeerd (Mackenbach, 2010b; WHO, 2012). Voor het eerste werden ziekten toegeschreven aan specifieke oorzaken in organen en was ziekte niet langer een magisch begrip of door God of goden veroorzaakt.
Ook grote industriële uitvindingen en oorlogen hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de vooruitgang van de medische wetenschap, en daarmee aan de langere levensduur. Inenting van kinderen, voor het eerst toegepast aan het einde van de achttiende eeuw, heeft de gemiddelde leeftijd aanzienlijk doen toenemen. De industrie leverde verder de mogelijkheid om een beter operatie-instrumentarium te ontwikkelen, dat in de Eerste Wereldoorlog op grote schaal werd toegepast. Tegelijkertijd zorgden de ontwikkelingen in de anesthesie ook voor betere operatiemogelijkheden. Ook een bijkomstigheid van de oorlog was de uitvinding dat mosterdgas snel groeiend weefsel negatief beïnvloedt. Deze vinding werd vervolgens toegepast in de behandeling met
chemotherapie in de oncologie. De Tweede Wereldoorlog heeft een grote impuls gegeven aan de ontwikkeling van antibiotica, waardoor het belangrijkste sterfterisico door ziekten, namelijk infectieziekten op dat moment, drastisch afnam (Mackenbach 2010a, 2010b). De ontwikkelingen in de gezondheidszorg zijn exponentieel toegenomen in de twintigste eeuw. Door technologische verfijningen kunnen operaties beter, gemakkelijker en met minder schade worden uitgevoerd. Ook radiotherapie en farmacologische vooruitgang hebben hieraan bijgedragen. Aandoeningen waaraan mensen enkele decennia geleden nog overleden en aangeboren afwijkingen zijn nu veel beter behandelbaar (Mackenbach, 2011). Het directe gevolg is wel dat veel meer mensen langer overleven met een of meer chronische aandoeningen.
Al met al is de sterftekans door de eeuwen heen, maar vooral de laatste eeuw, enorm afgenomen. Technologie speelde hierbij een voorname rol. De leeftijd en het aantal mensen met chronische aandoeningen zijn daardoor vanzelfsprekend toegenomen. Naast de demografische trend is er een sociale trend waarneembaar: de oudere van de (nabije) toekomst is een andere oudere dan die van nu. De nieuwe oudere is gewend voor zichzelf op te komen en wenst een grote mate van autonomie. Deze zogenaamde babyboomers zullen dus in hoge mate zelfsturend willen zijn, thuis willen blijven wonen en zoveel mogelijk voor zichzelf willen blijven zorgen, ook als de gezondheid te wensen overlaat. Op dit moment hebben meer dan 4,5 miljoen mensen in Nederland een of andere chronische ziekte. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de richting waar de gezondheidszorg zich in zal gaan ontwikkelen (Blokstra & Verschuren, 2007). Er zullen, met de krapte op de arbeidsmarkt van de zorg, slimme oplossingen moeten worden gezocht om ook in de toekomst nog de benodigde zorg te kunnen leveren. Slimme oplossingen zullen voor een deel kunnen worden gezocht in de bijdrage van technologische ondersteuning (Idenburg & Schalk, 2010), waardoor zorgtaken gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd. Deze technologische ontwikkelingen dienen echter wel een goede voedingsbodem te treffen om effectief te kunnen worden ingezet. Ook sociale aspecten zullen daarin moeten worden betrokken. In het navolgende worden enkele voorbeelden van de inzet van technologische hulpmiddelen in de ouderenzorg, in de vorm van zorgdomotica, beschreven. Daarna worden randvoorwaardelijke aspecten van deze inzet verder toegelicht.
Technologie in de ouderenzorg: kans en uitdaging
Er zijn twee hoofdperspectieven die in de ouderenzorg gediend worden: het perspectief van de oudere en dat van de zorgprofessional. Zorgdomotica dienen ten eerste de kwaliteit van leven te verbeteren en mensen langer (zelfstandig) te laten functioneren. Ouderen willen langer zelfstandig thuis blijven wonen en het moment van opname in het verpleeghuis uitstellen. Hierbij kunnen zij ondersteuning krijgen van technologie, in het bijzonder in de uren dat er minder zorgprofessionals van de thuiszorg beschikbaar zijn om een oogje in het zeil te houden. Het is van belang dat risico’s bijtijds worden herkend en gecontroleerd en dat bij noodsituaties kan worden ingegrepen. Ouderen die ontslagen worden uit het ziekenhuis hebben ook vaak extra steun nodig op het vlak van monitoring en revalidatie. Voor de zorgprofessional is het van belang dat zorgdomotica de efficiency van de zorgdiensten verbeteren, zowel bij ouderen die thuis wonen als bij ouderen die in instellingen wonen.
Zorgdomoticasystemen op basis van sensoren kunnen hierbij uitkomst bieden. De technologie die hiervoor nodig is, is reeds op de Nederlandse markt verkrijgbaar voor zowel individuele woningen als voor instellingen. De woning of kamer van een oudere kan worden uitgerust met allerlei sensoren, zoals contactsensoren, druksensoren
en infraroodsensoren, die kunnen meten waar een bewoner zich bevindt in de woning. Ongelukken en incidenten kunnen op basis van het monitoren van ouderen zelfs worden voorkomen, omdat signalen mogelijk in een vroeg stadium worden herkend. Medewerkers van de thuiszorg of familieleden zouden dan passende maatregelen kunnen treffen.
De meeste zorgdomotica in ons land behoren tot een ‘generatie’ (Van Hoof & Wouters, 2012). Bij de eerste generatie domotica was veiligheid het belangrijkste doel; deze generatie bestond, naast enkele andere toepassingen, vooral uit het personenalarm, waarmee via de telefoonlijn hulp kan worden gevraagd en contact kan worden gemaakt met de alarmcentrale. Bij de tweede generatie domotica ligt het accent op beeldcommunicatie, waarmee ook niet-acute zorg (bijvoorbeeld hulp bij het innemen van geneesmiddelen) kan worden geleverd. De derde generatie domotica is een gebied dat momenteel volop in ontwikkeling is: met behulp van sensoren en een slimme computer is het mogelijk informatie te verzamelen over de toestand van de bewoner (bijvoorbeeld of iemand gevallen is, maar ook hoe iemand zijn of haar leefpatroon verandert in de loop van de tijd). Het model van Stefanov van een intelligente zorgwoning (zie figuur 1) toont welke functionaliteiten in een dergelijke woning aanwezig kunnen zijn. De systemen geven data door aan een zorgcentrale, waar aan diverse manieren van opvolging wordt gedaan. In het model worden vijf soorten slimme technologische systemen onderscheiden: gebouwbeheersystemen, netwerkgebonden hulpmiddelen, technologie voor ontspanning en vermaak, informatie- en communicatietechnologie en technologie voor diagnostiek en gezondheidsmonitoring. In het model wordt ook melding gemaakt van overige technologische hulpmiddelen zoals de rollator en de leesloep, die echter niet verbonden zijn met een netwerk en dus geen data doorsturen naar een zorgcentrale. Van Nispen (2004) geeft een andere schematische positionering van zorgdomotica weer, met functionaliteiten als comfort, alarmering (passief en actief, brand- en inbraakalarm, alarmopvolging, thuiszorg en mantelzorg), tweewegverbinding met de zorgcentrale, zorgdiensten en telemedicine, veiligheid en hulpmiddelen in het huishouden. Het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG, 2004) schetst een beeld van de toekomst met een woning waarin wellicht
Figuur 1. Model van Stefanov (Stefanov, Bien & Bang, 2004) van een intelligente zorgwoning; aangepast door Van Hoof et al. (2007)
een hoekje is ingericht als ‘zorgunit’, met daarin zaken als voetzoolscanners voor diabetespatiënten, thuisdialyse voor nierpatiënten en apparatuur voor meting van de stollingstijd van het bloed voor trombosepatiënten. Tegelijkertijd schetst het CEG dat de positieve gevolgen van zulke ontwikkelingen hypothetisch zijn en dat de sociale gevolgen en privacygevolgen tot op heden onduidelijk zijn. Een Nederlands voorbeeld van zorgdomotica, en in het bijzonder de derde generatie, is het Unattended Autonomous Surveillance (UAS)systeem (Van Hoof et al., 2011). Met gebruikmaking van infraroodsensoren in de woning worden gegevens verzameld, waarbij een melding kan worden gegenereerd bij calamiteiten zoals een val. In het geval van een noodsituatie kunnen zorgprofessionals met een camera in de woning kijken en indien nodig snel ter plaatse zijn om hulp te bieden. Het sensorsysteem biedt een manier om ouderen die gevallen zijn en niet meer zelfstandig kunnen opstaan, snel te bereiken zodat zij niet voor langere tijd op een soms koude vloer liggen. Het UAS-systeem wordt ook geclassificeerd als ambient-intelligencetechnologie.
Belemmeringen: acceptatie van technologie en wijze van ontwerpen
Het is anno 2012 nog niet gekomen tot een grootschalige succesvolle uitrol van zorgdomotica in de ouderenzorg, waarbij de technologie een standaardonderdeel is van langer thuis wonen, revalidatie, medische behandeling en monitoring. Het Nederlands Instituut voor Telemedicine (Van Nispen, 2004) concludeerde dat domotica in de begindagen verkeerd zijn geïntroduceerd als zorgtechnologie, speciaal voor mensen met een zorgvraag. Dat was meteen de belangrijkste reden waarom het als consumentenproduct niet echt van de grond is gekomen. Daarnaast werd in het rapport geconcludeerd dat ouderen vaak niet op technologie zitten te wachten. Ze hebben het niet nodig, hebben angst voor technologie of voelen zich nog niet oud genoeg. Deze negatieve gevoelens en houding zijn in de vele pilots in Nederland genegeerd. Om domotica in de zorg tot een succes te maken wordt geopperd de focus te verschuiven, zoals naar jongeren met functionele beperkingen, mensen met longproblematiek, artrose, niet-aangeboren hersenaandoeningen of psychologische problematiek of mensen die herstellen na een beroerte (ActiZ, 2008; Van Nispen, 2004).
De inzet van domotica verloopt dus in een aantal zorgsituaties niet succesvol. Dit komt niet alleen door de mogelijk onjuiste focus, maar ook door het feit dat er bij zorgdomotica vele belanghebbenden zijn, waardoor aan vele verschillende randvoorwaarden moet worden voldaan bij de implementatie ervan (Van Hoof et al., 2011).
Een van de verschillen tussen het ontwikkelen van technologie in het algemeen en het ontwikkelen van zorgdomotica in het bijzonder is het oorspronkelijke uitgangspunt. Technologie wordt ontwikkeld voor een groot afzetgebied, men wil veel mensen bereiken zodat de ontwikkeling financieel voordeel oplevert. Dat betekent dat gedacht moet worden in termen van ‘one size fits all’. Zorg wordt juist op maat geleverd en er wordt gedacht vanuit de patiënt, de uiteindelijke gebruiker. In de zorg voor mensen met chronische aandoeningen is dat per definitie geen standaardoplossing. Vaak zijn er meerdere problemen tegelijkertijd, waardoor grote flexibiliteit van de technologie en de toepassingen ervan gewenst is.
Een voorbeeld van een niet goed werkende oplossing met een goed werkende technologie is dit: voor mensen die ’s nachts dwaalgedrag vertonen als gevolg van dementie, is het mogelijk een sensormatje voor het bed te leggen. Daardoor wordt de verzorger of mantelzorger gealarmeerd en kan die passende maatregelen nemen. Iemand met een verminderd gezichtsvermogen (wat op deze leeftijd vaak voorkomt) kan het matje echter als een zwart gat zien en proberen eroverheen te stappen. Hierdoor kan het voorkomen dat men valt, niet opgemerkt wordt en een heup breekt (ook niet ongebruikelijk op deze leeftijd). Industrieel gezien zijn dergelijke producten dus heel bruikbaar, maar niet zonder meer voor de dagelijkse praktijk en voor iedereen.
Technologische oplossingen, zorgdomotica, worden nogal eens ‘neergezet’ bij mensen thuis als een eindproduct, zonder de nodige uitleg en training. Als er al uitleg wordt gegeven, dan is die veelal niet toegespitst op de dagelijkse leefomgeving van mensen en hun vermogen met nieuwe technologie om te gaan. Het gevolg is dat de technologie niet of niet goed wordt gebruikt.
Een andere bijzonderheid van zorgdomotica is dat deze meerdere eindgebruikers kennen. In tegenstelling tot technologie die in ziekenhuizen wordt gebruikt door daarvoor speciaal opgeleide mensen, zoals operatietechnologie, is hier sprake van toepassing in een thuisomgeving. De technologie wordt hier gebruikt door mensen met een gezondheidsprobleem en hun familie, met daarnaast de professionele zorgverleners en de installateurs. Meerdere mensen, met geheel verschillende achtergronden, hebben te maken met de technologie
en zullen er verschillend mee omgaan. Daar komt nog bij dat zorgdomotica vooral voor chronische aandoeningen worden gebruikt, hetgeen betekent dat deze levenslang in de leefomgeving ingrijpen. Een goede integratie in de woonomgeving, zonder dat dit tot het gevoel van stigmatisering leidt, is dan van belang.
Een andere moeilijkheid bij de implementatie van zorgdomotica is de financiering ervan. Deze is niet eenduidig en beperkt. Veel van de technologie is ontwikkeld om langer thuis wonen te ondersteunen en allerlei dagelijkse activiteiten te bevorderen. Een aantoonbare besparing zou zijn dat er uitstel van opname in het verpleeghuis is. Door het huidige financieringsstelsel in de zorg komt de besparing echter niet ten goede van de investeerder. Daarnaast is er een overlap tussen wat onder ‘zorg’ kan worden geschaard en wat eerder ‘welzijn’ of ‘comfort’ is. Zo kan een afstandsbediening voor de ene persoon comfort zijn, terwijl dit voor iemand met ernstige mobiliteitsproblemen een noodzakelijk attribuut is.
Al met al is de implementatie van zorgdomotica dus een ingewikkeld proces. Implementatie wordt bovendien vaak gezien als de laatste stap van dat proces, met de geschetste gevolgen van dien. Een gedegen implementatieplan, dat al start bij de ontwerpfase, zou dit kunnen ondervangen. Daarom wordt gepleit voor een ontwerpproces waarin de verschillende belanghebbenden van meet af aan worden betrokken. Het startpunt is een inventarisatie van behoeften van (alle) eindgebruikers. Waarden en gebruikerseisen worden daarbij betrokken. Degenen die met de technologie moeten werken (cliënten of patiënten zelf, maar ook hun familie en de professionele zorg, beleidsmakers evenals de installateurs), moeten invloed hebben. Hierbij wordt ook geëxploreerd wat de wet- en regelgeving is en welke financiële mogelijkheden, juridische en ethische voorwaarden en dilemma’s er zijn binnen de gezondheidszorg (Frederiks, Niemeijer & Hertogh, 2009; Niemeijer et al., 2010). Vanuit dit vertrekpunt wordt een prototype ontworpen. Vervolgens worden, alvorens het eindproduct tot stand komt, diverse tussenevaluaties gehouden.
Een dergelijke aanpak verloopt volgens het model in figuur 2, zoals geschetst door Van GemertPijnen et al. (2011). Hierbij kunnen vijf fasen worden onderscheiden:
1. Er wordt een uitgebreide inventarisatie van de behoeften van alle stakeholders verricht ten aanzien van de te ontwikkelen technologie. Waarden, behoeften en ethische aspecten (zeker als het gaat om technologie die vrijheid beperkt of privacy beïnvloedt), worden in kaart gebracht.
2. De toegevoegde waarde van de technologie
Figuur 2. CeHRes Roadmap (Van Gemert-Pijnen et al., 2011)
wordt in deze fase bepaald. Deze is uit te drukken in economische, maatschappelijke of gedragsmatige waarden. Zo kan het gebruik van sensoren op een afdeling winst betekenen omdat er minder personeel nodig is, maar ook een verhoogd (maar ook verlaagd) gevoel van veiligheid bieden.
3. Hier staat het ontwerpen centraal. Allereerst wordt een prototype ontworpen. Dit prototype wordt vervolgens in de praktijk getoetst aan de aspecten zoals genoemd in fase 1 en fase 2.
4. In deze fase wordt het prototype in de praktijk ingevoerd. Er wordt een implementatieplan geschreven, inclusief businessmodel.
5. In deze fase ten slotte wordt een evaluatie van het eindproduct uitgevoerd. Ook in deze fase worden de gebruikers er expliciet bij betrokken.
Tot slot
Zorgdomotica is een van de nieuwe technologieën die in het dagelijks leven van en in de zorg voor ouderen ondersteuning kan bieden en hun welzijn kan verhogen. Er zijn in Nederland tal van voorbeelden van zorgdomotica, van personenalarmering, beeldcommunicatie tot woningen vol sensoren die de bewoners monitoren. Bij de inzet van nieuwe technologie is succes niet gegarandeerd. Om een succesvolle inzet van zorgdomotica te bewerkstelligen is een ontwerp- en implementatiecyclus met alle stakeholders gewenst. Door de recente ontwikkelingen op het gebied van smartphones en tablets (losse touchscreens worden steeds vaker vervangen door bestaande tablets), en de persberichten van grote ICT-bedrijven dat zij zich gaan begeven op het vlak van woningautomatisering, is de toekomst van zorgdomotica als losstaand domein op het snijvlak van zorg en technologie ongewis. Een verdere integratie van technieken is goed denkbaar en kan mogelijk zorgen voor een snelle vooruitgang op het gebied van zorgtechnologie en monitoring en de acceptatie (en het zelf betalen) ervan door eindgebruikers.
Literatuur
ActiZ (2008). Klant in beeld. Handreiking cliëntprofielen en aanbodsarrangementen bij zorg op afstand en beeldcommunicatie. Utrecht: ActiZ.
Bakas, A. (2011). De toekomst van gezondheid. Megatrends over gezondheid en leven en waardig sterven . Schiedam: Scriptum.
Blokstra, A. & W.M.M. Verschuren (2007). Vergrijzing en toekomstige ziektelast. Prognose chronische ziekteprevalentie 2005-2025 . Bilthoven.
Centrum voor Ethiek en Gezondheid (2004). Signalering ethiek en gezondheid. Zoetermeer: CEG.
Duin, C. & J. Garssen (2011). Bevolkingsprognose 2010-2060: sterkere vergrijzing, langere levensduur. Geraadpleegd op 3 juni, 2012 op www.cbs.nl.
Frederiks, B.J.M., A. Niemeijer & C.M.P.M. Hertogh (2009). De juridische en ethische aspecten van domotica in de zorg voor mensen met dementie. Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde 34(5), pp. 181-185.
Gemert-Pijnen, J.E. et al. (2011). A holistic framework to improve the uptake and impact of eHealth technologies. Journal of Medical Internet Research 13(4), e111.
Hoof, J., van et al. (2007). Ambient intelligence, ethics and pri-vacy. Gerontechnology 6(3), pp. 155-163.
Hoof, J. van et al. (2011a). Ageing-in-place with the use of ambient intelligence technology: perspectives of older users. International Journal of Medical Informatics 80(5), pp. 310-331.
Hoof, J. van et al. (2011b). Ambient assisted living and care in The Netherlands: the voice of the user. International Journal of Ambient Computing and Intelligence 3(4), pp. 25-40.
Hoof, J. van & E.J.M. Wouters (red.) (2012). Zorgdomotica. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Idenburg, P.J. & M. Schalk (2010). Diagnose 2015 . Schiedam: Scriptum.
Mackenbach, J.P. (2010a). Trends in de volksgezondheid en gezondheidszorg. Amsterdam: Elsevier Gezondheidszorg.
Mackenbach, J.P. (2010b). Ziekten in Nederland. Gezondheid tussen politiek en biologie. Amsterdam: Elsevier Gezondheidszorg.
Mackenbach, J.P. (2011). Successen van preventie 1970-2010. Rotterdam: Erasmus Publishing.
Niemeijer, A.R. et al. (2010). Ethical and practical concerns of surveillance technologies in residential care for people with dementia or intellectual disabilities: an overview of the literature. International Psychogeriatrics 22(7), pp. 1129-1142.
Nispen, B. van (2004). Zorgdomotica. Een inventarisatie van knelpunten en struikelblokken met aanbevelingen om de grootschalige implementatie van zorgdomotica voor ouderen en mensen met functiebeperkingen in Nederland te versnellen en te verbeteren. Den Haag: Nederlands Instituut voor Telemedicine.
Stefanov, D.H., Z.Z. Bien & W.C. Bang (2004). The smart house for older persons and persons with physical disabilities: structure, technology arrangements, and perspectives. IEEE Transactions on Neural Systems and Rehabilitation Engineering 12(2), pp. 228-250.
WHO (2012). International Classification of Diseases. Geraadpleegd op 5 juni 2012 op www.who.int/classifications/ icd/en/.
dr. Eveline J.M. Wouters
is arts en epidemioloog. Ze is associate lector en hoofd Expertisecentrum BISC (Bridging Innovations to Sustainable Care) van het lectoraat Health Innovations and Technology bij Fontys Paramedische Hogeschool Eindhoven. E-mail: e.wouters@fontys.nl
dr. ir. Joost van Hoof Eur Ing
is bouwfysisch ingenieur. Hij is projectleider van Fontys EGT (Expertisecentrum Gezondheidszorg en Technologie), een samenwerkingsverband van vijf instituten van Fontys Hogescholen in Eindhoven en Venlo, en projectcoördinator bij ISSO, het Kennisinstituut voor de Installatiesector, in Rotterdam. E-mail: joost.vanhoof@fontys.nl en j.vanhoof@isso.nl.


Niet gevonden? Vraag het de redactie!

Heeft u het antwoord op uw vraag niet gevonden, of bent u op zoek naar specifieke informatie? Laat het ons weten! Dan zorgen we ervoor dat deze content zo snel mogelijk wordt toegevoegd, of persoonlijk aan u wordt geleverd!

Stel uw vraag